Een week geleden vertrok buitenlandjournalist Jens Franssen spoorslags naar het rampgebied in Turkije, samen met klankvrouw en monteur Sharon Hamers en cameraman Patrick Moons. Wat ze zagen was dood en verderf en af en toe een sprankeltje hoop. Dit is hun verhaal. "Wij zijn als handelaren in miserie."
"Hoe kan ik een wenende man van 80 troosten?": het dagboek van VRT NWS-journalist Jens Franssen, die een week lang door Turkije reisde
Dinsdag 7 februari (dag 1 na de aardbeving): graven, zwijgen en hopen
Kayseri. Terwijl de berichten uit het rampgebied steeds erger worden, graaf ik met de man van het huurautobedrijf onze auto uit de sneeuw. Hij heeft geen sneeuwkettingen. Of we dat erg vinden?
Esma, onze tolk is met de bus vanuit Ankara gekomen. Ze ziet er doodvermoeid uit. Haar bus stond het grootste deel van de nacht ingesneeuwd. Cameraman Patrick, monteur Sharon en ik zijn groggy van een nacht vol vluchten en weinig slaap, maar de adrenaline raast. Adana, de eerste getroffen stad is vier uur rijden. De luchthavens in het rampgebied zijn gesloten. Een concreet plan heb ik niet. Opties wel. De eerste teams van reddingswerkers laden net als wij hun auto in. Een knik. Iedereen weet wat we zullen mogen verwachten. Al weet niemand van ons, hoe erg het zal worden. Gelukkig.
Alsof een kwade peuter her en der legoblokken heeft omgeschopt in een legostad. Spookstad moet ik schrijven, want in Adana zijn de appartementsgebouwen leeg. Her en der zijn gebouwen volledig ingestort. Voor Sharon is het haar eerste grote ramp in het buitenland. Ik ga haar nauw tegen me aanhouden. Veel vragen of het gaat, want de beelden hakken erin. Elke keer wanneer vanop de huizenhoge puinhoop geroepen wordt door de hulpverleners wordt het doodstil. De zware graafmachines zwijgen, de mensenmassa zwijgt. Iedereen, ook ik, ook Patrick, ook Sharon, ook Esma, hoopt zo hard op een teken van leven. Broers en zussen, ouders en kinderen naast me willen geluid. Van hun kind, ouder of zus. Tot de graafmachines weer beginnen te brullen. En een nieuwe laag beton afpellen. De avond valt laf over het puin.
Woensdag 8/2 (dag 2): "We hoeven jullie niet"
Ik warm me bij een vuurtje en een kachelpijp in het park van Gaziantep. Een familie van een twintigtal Turken woont nu in de geparkeerde auto’s die voor hun wankele appartementsblokken staan. Ik zie maar weinig officiële hulp.
Wanneer we vragen of we in een opvangcentrum mogen filmen, worden we weggejaagd. “We hoeven jullie niet.” De slachtoffers zijn boos. Op ons, op hun regering, op alles wellicht. Op zichzelf ook, denk ik dan. Ik zou dat zijn. Ik zou denken: wat had ik anders kunnen doen? Had ik dit kunnen vermijden? Maar zoals alle grote natuurrampen waarvan ik verslag uitbracht, draagt ook deze een grote gelijkheid in zich. Rijk, arm, kind, opa, boer of bankier, gelovig of niet; zware aardbevingen zijn daar op een wrede manier volstrekt onverschillig voor. Een man aan de andere kant van de kachelpijp biedt ons een glas thee aan. Het vriest intussen weer. Het dodental loopt zo snel op dat ik tijdens mijn verslaggeving cijfers probeer te vermijden, omdat die te snel opwaarts moeten worden bijgesteld.
Donderdag 9/2 (dag 3): hoe troost je een man van 80?
Bergdorp boven Akbezi. Tweeduizend mensen woonden in het dorp. Er zijn al zeker 105 doden geteld, zegt een rokende hulpverlener met een grof, pokdalig gezicht. Ik betrap mezelf erop uit te rekenen hoeveel procent dat dan is. Ik verfoei de kille berekening en loop naar een oude man die levenloos op een houten lage kruk zit bij een verwoest huis.
“Dertig jaar werk zit er in dit huis. Al mijn spaargeld.” De man is 80. Wegenwerker. Hij weent nu. Ik weet niet goed hoe je een man van 80 troost die voor je staat te wenen als een kind. In mijn ooghoeken zie ik dat Sharon rode ogen heeft. Verder in de straat zit een vrouw ook te huilen. Haar schoonmoeder ligt onder het puin. Maar er is geen hulp. Haar zoon kon zich uit het puin bevrijden. De tiener heeft holle ogen. “Ik heb uren gewroet en gevochten om uit het puin te raken. Soms moest ik rusten”. De zon schijnt, de lucht is ongenadig blauw. De sneeuw is gesmolten en ligt op de flanken boven het dorp. Pijnlijk perfect schoon moet dit bergdorp zijn geweest. Naast een frisgroene metershoge den ligt de minaret van de moskee op de grond. Gebroken in vijf alsof het een glazen rietje was. Net als de rest van het dorp.
VRT-klankvrouw Sharon Hamers over de ramp in Turkije: "Mensen gaven thee en koekjes terwijl ze zelf niets meer hadden"
Vrijdag 10/2 (dag 4): "hoop" heeft hier vele betekenissen
Probleem. De gps zegt rechtdoor. De Turkse gewapende militairen voor ons schudden heftig van neen. Achter hen loopt een lage betonnen muur met een hek voor. “Syrië!” roepen ze. Patrick draait op de grindweg. Ik trok de voorbije jaren zo vaak naar Syrië voor een verslag. Hoe zou het er nu zijn, vraag ik me af. Aan de andere kant van het hek loert de dood om elke hoek. Al Qaida en ISIS zijn er actief, het Syrische leger bombardeert er, en neen, aardbevingen houden al helemaal geen rekening met staatsgrenzen en regimes.
Ayse en haar man Kenan, Vlaamse Turken, Turkse Belgen, whatever, ontvangen ons in hun geboortedorp. Net als wij vlogen ze halsoverkop naar hier, maar dan om hun familie te helpen. Ik wandel samen met Ayse door het dorp. Aan haast elke straathoek spreken ze iemand in het Nederlands aan. Ze nemen ons mee naar het kerkhof van het dorpje. Iedereen is hier familie van elkaar. Neven. Nichten. Nonkels. Tantes. De terugkerende gelijklopende namen op de grafzerken spreken boekdelen. Graven zijn vers gegraven, voor wie nog onder het puin ligt. “Ik hoop nu vooral dat we onze familie nog vinden tussen het puin.” Zegt Ayse. “Dat we ze kunnen begraven”. Ik kan niet anders dan denken dat “hoop” hier in het aardbevingsgebied vele betekenissen heeft.
Zaterdag 11/2 (dag 5): "Zag je die vrouw uit het puin komen?"
Antakya: wellicht de zwaarst getroffen stad in het rampgebied. Onderweg naar hier zagen we hoe de loop van een rivier zich verlegd heeft door de aardbeving. Velden met steenfruitbomen staan hulpeloos onder water.
In Antakya dwalen wenende mensen door de straten. Als geesten. Ik zie hoe een oude, wenende vrouw wordt weggeleid door een politieman. Een andere vrouw staart rokend voor zich uit. Ze zuigt de askegel van haar sigaret hard naar zich toe. Ik weet dat haar pijn evenredig hard en groot is. We volgen een Bosnisch reddingsteam. “Natuurlijk is er hoop”, zegt Omer. Gisteren haalde zijn team nog overlevenden vanonder het puin. Dus waarom vandaag ook niet? Ik vraag hem hoe het voelt als je iemand na dagen vanonder het puin haalt. “Ik kan het maar moeilijk beschrijven. Ik ben ongelofelijk blij. Maar tegelijk ook triest, en ik heb medelijden met hen. Want wat ze doormaken is afschuwelijk”. We trekken door het puin, want een stad kan ik dit niet meer noemen. “Zag je die vrouw uit het puin komen?” vraagt Sharon. “Je kon de kleur van haar bruin haar nog zien, door het grijs van het stof”. Ik herinner mezelf eraan, dat ik Sharon close moet houden. Ze is ongelofelijk sterk, professioneel en we delen dezelfde wat donkere en ironische humor. Dat helpt. Maar wat je ziet, kan je niet meer ont-zien. Ik weet dat wij maar toeschouwers zijn. Geen slachtoffers. We registreren. Patrick, de cameraman, roept ons vanop de top van een metershoge berg puin. We trekken stil naar boven langsheen het oorverdovende geluid van de gevaarlijk draaiende kranen om ons heen.
Zondag 12/2 (dag 6): "Wat doe ik met 150 euro, als dat alles is wat ik nog heb?"
Antakya. Patrick ontbijt stevig. Ik ook. Brood, eieren en olijven. Ons eerste ontbijt in dagen. Samen hebben Patrick en ik al heel wat kilometers op de rampen- en oorlogsteller. Belangrijk dat ontbijt, want je weet niet wanneer je de volgende keer zal kunnen eten.
We trekken terug naar wat rest van de oude stad van Antakya. Naar het stadspark deze keer. Aangezien de stad onleefbaar is, overleeft wie is gebleven in het park. Ik vraag aan een man hoe hij de toekomst nu ziet. Hij zit met zijn twee sjiekende tienerdochters naast hem op een parkbank naast een tent. De tieners laden hun GSM's op aan een plaat met zonnepanelen. Hij haalt voor 150 euro aan Turkse lira's uit zijn broekzak. “Kijk, dit is alles wat ik nog heb”. Zijn stem slaat over. Hij weent nu. Hij fluistert haast, als een wenend klein bang meisje. Patrick en Sharon registreren. “Ik vraag aan jou? Wat moet ik daarmee?”. Ik weet niet wat antwoorden. Ik zwijg en knijp onhandig in zijn arm. Ik ben niet gewend zelf te moeten antwoorden op de vaak vreselijk harde vragen die ik moet stellen als journalist. Een half uur later wanneer we het stadspark verlaten, duwt de man ons chocoladekoekjes in de hand. Hij dankt ons, omdat hij zijn verhaal eindelijk mocht vertellen.
Maandag 13/2 (dag 7): wij zijn handelaren in miserie, maar ook in hoop
Grote natuurrampen zijn elke keer uniek. Al is de tragiek elke keer gelijklopend. Het puin is nooit erg. Het is indrukwekkend. Dat wel. De mensen errond: dat is elke keer het lastigste. Want die spreek je, even deel je hun verhaal, en dan moet je weer door. Altijd weer opnieuw. Als handelaren in miserie.
Maar vandaag is er alweer, gelukkig, hoop. BFAST bouwt in sneltreinvaart een veldhospitaal. Te laat, te weinig, te knullig? De Turkse dokter die ik spreek hier in Kirikhan heeft geen kritiek. Die is blij met de hulp. Want zijn nagelnieuwe ziekenhuis vertoont scheuren, vertaalt Esma. Alleen de spoedafdeling kan hij nog openhouden. Ik zoek de Belgische ambassadeur die mee trekt aan de operatie. Ik zoek tussen de BFAST-mensen een pak en das, of op zijn minst geklede jeans en pullover. Tot iemand me wijst op een grijzende man met bottines, hesje en stoffige werkbroek. Dat soort ambassadeur. Hij overlegt met de burgemeester van de stad. Ik zie hoe het veldhospitaal elk uur meer vorm krijgt. Misschien een sprankel hoop. Al blijven de cijfers over het aantal slachtoffers helaas schrikwekkend stijgen. Turkse elitemilitairen patrouilleren rond de site van de Belgen. Ik vertrek en kruis enkele radeloze Turken die wanhopig komen vragen of de Belgen geen extra tenten over hebben. Ik check mijn telefoon. Vannacht gaat het weer vriezen.


