Naar hoofdinhoud

Moeten we nu nog een nazi-misdadiger van 97 jaar veroordelen? "Ja" 

Hoe moeten we, bijna 80 jaar na de Tweede Wereldoorlog, omgaan met oorlogsmisdaden van nog levende nazi-medewerkers? Amnestie geven of bestraffen? Deze vraag beroert het maatschappelijk debat in Duitsland na de veroordeling van de 97-jarige Irmgard Furchner. Volgens de rechtbank was ze medeplichtig aan de moord op zeker 10.500 mensen. Historicus Francis Weyns kijkt naar het oorlogsverleden van zijn stiefgrootvader om deze vraag te beantwoorden. 

Gepubliceerd:

Had de Duitse rechter Dominik Gross zich milder moeten opstellen toen hij deze week de 97-jarige voormalige secretaresse Irmgard Furchner veroordeelde? Furchner werkte van 1943 tot 1945 in dienst van SS-Obersturmbannführer en kampcommandant Paul-Werner Hoppe. Ze kreeg een symbolische voorwaardelijke straf van twee jaar. De feiten voor haar veroordeling waren inmiddels al 77 jaar oud. 

De hoogbejaarde Furchner had naar eigen zeggen in de periode van 1943-1945 ook alleen maar een kleine rol gespeeld in het kamp van Stutthof (nu het Poolse stadje Sztutowo). In het kamp werkten zowel Russische krijgsgevangenen als Joodse vrouwen in de wintermaanden bij vriestemperaturen van -30 graden, zonder beschermende kleding. 

Kampcommandant Paul-Werner Hoppe, de directe baas van Irmgard Furchner, leidde het kamp met ijzeren hand en deinsde er niet voor terug om Joodse gevangenen door middel van dodelijke injecties, gifgas of met een nekschot te laten afmaken. 

Papa Jean

Fast forward naar 2018,  toen ik de antecedenten onderzocht van mijn grootvader Gaston Delbeke, die de onfrisse eer had om in september 1940 als eerste Belg in dienst te treden van de Duitse inlichtingendienst Sipo-SD, in de volksmond de Gestapo genaamd. Delbeke werd voor zijn oorlogsmisdaden in 1948 in Gent door een executiepeloton gefusilleerd. Zijn levensverhaal was al die tijd een goed bewaard familiegeheim gebleven.

Mijn onderzoek zette me op het spoor van Jan van Ceulebroeck, de man met wie mijn grootmoeder, de weduwe van Gaston Delbeke, in 1970 in het huwelijk was getreden. 

Ik kende Jan van Ceulebroeck als mijn surrogaat-grootvader, een eenvoudige fabrieksarbeider die zich op alle mogelijke manieren voor mijn twee oudere zussen en mij uitsloofde. Papa Jean, zoals ik hem noemde, nam me mee naar Disney On Ice of naar de jaarlijkse kermis op het Gentse Sint-Pietersplein. Wat we niet wisten was dat de vriendelijke en behulpzame opa een gitzwart oorlogsverleden torste.

Familiefoto van Jan van Ceulebroeck

Gitzwart verleden

Jan van Ceulebroeck had als achttienjarige knaap in januari 1943 dienst genomen bij de Organisation Todt, een Duitse paramilitaire organisatie die in de oorlog werd ingezet om vernielde wegen en bruggen te herstellen of om verdedigingslinies als de  Atlantikwall of de Sigfriedlinie te bouwen. 

Wellicht kon mijn stiefgrootvader Jan op die manier de gevreesde verplichte arbeidsdienst, die in oktober 1942 in België werd ingevoerd, ontlopen. 

Van Ceulebroeck werd ingezet als kampbewaker in de Russische kampen van Baranovice en Minsk. Hij zou na zijn arrestatie in 1946 volhouden dat hij alleen barakken had gebouwd, maar een Vlaamse collega verklaarde dat Jan er “menige Joodse gevangen had geslagen en gedood”.

In oktober 1944 werd Jan van Ceulebroeck met nog andere Vlaamse kampbewakers naar het kamp van Stutthof gestuurd, dat op dat ogenblik te klein was geworden voor de duizenden Joodse gevangenen die dagelijks naar het kamp werden gedeporteerd. 

Rondom Stutthof werden in allerijl 6 nieuwe satellietkampen gebouwd, waaronder het kamp van Seerappen, waar Jan Van Ceulebroeck als bewaker ging werken. Na de oorlog zou hij zijn daden in Stutthof en Seerappen minimaliseren, maar zijn Vlaamse collega’s waren in hun getuigenissen een andere mening toegedaan. 

Jan van Ceulebroeck was “de meest gevreesde bewaker” en liep rond met een zweep die hij zelf uit elektrische draad had gevlochten. Bij de geringste aanleiding sloeg hij met zijn zweep op de Joodse gevangenen. Een Joodse vrouw die volgens hem niet snel genoeg reageerde op zijn bevelen, schoot hij zonder aarzelen neer. 

Jan van Ceulebroeck was “de meest gevreesde bewaker” en liep rond met een zweep die hij zelf uit elektrische draad had gevlochten.

Toen het Russische leger in januari 1945 een enorm militair offensief lanceerde, werden de ongeveer 12.000 Joodse gevangenen vanuit Stutthof en de nabijgelegen satellietkampen naar Pillau gedreven, een stadje aan de Baltische kust, met de bedoeling om ze in boten naar de Duitse havenstad Kiel over te brengen.

Van Ceulebroeck maakte deel uit van het Begleitskommando dat de uitgehongerde Joodse gevangenen in de ijzingwekkende kou door de metersdikke sneeuw vooruit joeg. Hij en andere bewakers aarzelden niet om uit vrije wil Joodse gevangenen tijdens de dodenmars neer te schieten en te vermoorden.

Volgens getuigen ging Van Ceulebroeck er tijdens de tocht zelfs prat op dat hij “er al zevenenvijftig” had neergeschoten. In de nacht van 26 op 27 januari 1945 arriveerden de overgebleven 3000 gevangenen in het stadje Palmnicken. 

Toen het duidelijk werd dat Pillau nooit bereikt zou worden, werden de gevangenen door de bewakers, waaronder Jan van Ceulebroeck, vanop het strand van Palmicken in de ijskoude Baltische zee gedreven en daar met machinegeweren neergemaaid. Slechts 11 Joden zouden de slachting overleven. 

Dwangarbeid

Jan van Ceulebroeck vluchtte naar Stutthof maar werd in juni 1945 aangehouden en naar België overgebracht. Door een aantal procedurefouten werd hij vrijgesproken voor zijn aandeel in de dodenmars en voor de slachting op het strand van Palmnicken. 

Hij werd evenwel in 1947 tot de dood veroordeeld voor de mishandelingen in het kamp van Seerappen. Zijn veroordeling werd in 1951 in levenslange dwangarbeid omgezet. Hij zou zijn misdaden altijd blijven ontkennen maar wel “betreuren dat hij zich liet meeslepen”. Hij werd in 1962 voorwaardelijk vrijgelaten en in 1979 in eer hersteld. 

Hij zou zijn misdaden altijd blijven ontkennen maar wel “betreuren dat hij zich liet meeslepen”.

Irmgard Furchner, de persoonlijke secretaresse van kampcommandant Hoppe en Jan van Ceulebroeck, die als Kameradschaftsführer de leiding had over een twaalftal bewakers, hebben elkaar wellicht in Stutthof ontmoet, maar of ze elkaar goed gekend hebben is niet meer te achterhalen. Wat we wel met zekerheid weten is dat ze beiden goed op de hoogte waren van wat er zich in Stutthof en in de omliggende kampen afspeelde en dat ze beiden een rol hebben gespeeld in de Holocaust : de systematische uitroeiing van het Joodse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Was het toeval dat mijn stiefgrootvader Papa Jean na zijn vrijlating en na zijn huwelijk met mijn grootmoeder in 1970 met een Volkswagen Kever door de straten van Gent reed ? Dat hij naar Duitse marsmuziek luisterde, nauwgezet alle Old Shatterhand-strips van de Duitse schrijver Karl May, de lievelingsauteur van Adolf Hitler, voor mij verzamelde, dat hij op de kermis keer op keer aan het schietkraam stond of dat hij mij het ongevraagde advies gaf om veroordeelde misdadigers met een scheermesje tot bloedens toe te kerven en nadien zout in de wonden te strooien? 

Was het louter zijn inbeelding dat hij, na de dood van mijn grootmoeder, in het rusthuis waar hij werd opgenomen alleen door verpleegsters met blond haar wilde verzorgd worden? 

Spijt?

Toen ik het rusthuis waar Jan van Ceulebroeck zijn laatste levensjaren had doorgebracht na zijn overlijden in 2014 bezocht, mocht ik een kijkje nemen in zijn persoonlijke bezittingen. In een kartonnen doos met porseleinen beeldjes en nietszeggende foto’s vond ik enkele exemplaren van het maandblad van de Vriendenkring Sneyssens, een vereniging van voormalige oostfronters. 

Daarin las ik hoe men de Holocaust, tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog, nog altijd in twijfel trok. 

Jan van Ceulebroeck heeft tot aan het einde van zijn leven nooit afstand genomen van zijn goed verborgen politieke idealen. Hij verdween na zijn vrijlating in de anonimiteit en werd een persoon zonder noemenswaardige eigenschappen, net zoals Irmgard Furchner dat heeft gedaan. 

Net zoals mijn stiefgrootvader heeft ze nooit spijt betuigd over haar misdaden. Het is volgens mij dan ook terecht dat Furchner, ondanks haar hoogbejaarde leeftijd en bijna 80 jaar na de feiten een (symbolische) veroordeling heeft gekregen. Oorlogsmisdaden blijven namelijk tijdloos.

Meer weten over

Meest gelezen

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5

Wat schuilt er achter Go Church? En hoe komt het dat vooral kwetsbare minderjarigen hier slachtoffer van worden? VRT NWS Pano trok op onderzoek.

Lees ook

  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"
  • general.player.loading"