De taferelen van relschoppende Anderlechtsupporters tonen aan dat het voetbalhooliganisme in en rond stadions terug van weggeweest is. Nochtans is sport net voor een stuk ontstaan als alternatief voor geweld. Maar verschillende factoren leiden er kennelijk toe dat de potjes in een voetbalstadion kunnen overkoken. Hoe komt dat toch? We laten enkele sportsociologen hun licht schijnen op het fenomeen.
Territoriumdrift, mannelijkheid en het idee dat niemand boven je staat: binnenkijken in het hoofd van de voetbalhooligan
Voetbal is oorlog, wordt wel eens gezegd. Maar dat is het nét niet, stelt de Nederlandse sportsocioloog Ramón Spaaij in de reeks "Universiteit van Nederland". "Sport in het algemeen is juist ontstaan deels als alternatief voor geweld. Geweld was eeuwenlang de manier om de hiërarchie tussen groepen te bepalen. Maar met het oprukken van de beschaving werd dit steeds minder geaccepteerd."
"In plaats van elkaar met knuppels of blote vuisten te lijf te gaan, kies je bij voetbal bijvoorbeeld elf mensen uit. Die gaan namens jouw groep de strijd aan met een andere groep, binnen afgesproken regels." Voetbal werd op die manier een echte volkssport. Maar vanaf de jaren 60 kwam het hooliganisme opzetten, om te beginnen in Engeland.
"Door de babyboom van na de Tweede Wereldoorlog kwamen er heel veel jongeren. Met die jongeren ontstonden er subculturen, onder andere een subcultuur van georganiseerd geweld", verklaart Spaaij. Het hooliganisme waaide over naar de rest van Europa. "In de vroege jaren 80 hebben we het hier in België voor het eerst goed leren kennen", weet ethicus Ignaas Devisch, die enkele jaren geleden door Club Brugge werd ingeschakeld om een ethische code uit te werken voor de club.
"Daarna zijn er veel inspanningen gebeurd om dat beter te organiseren. Dat is ook tot stand gekomen. Maar sinds anderhalf jaar tijd, na corona, hebben we al veel incidenten gehad en is het precies terug naar af." Volgens Devisch is het nog gissen naar waar de angel precies zit. "Is het omdat mensen zich een tijd al dan niet letterlijk opgesloten gevoeld hebben? Feit is dat er momenteel veel wantrouwen en frustratie in de samenleving aanwezig is."
Identiteit en territorium
Het valt hoe dan ook op dat vooral voetbal geconfronteerd wordt met hooliganisme. Andere sporten hebben daar veel minder last van. "Een voetbalstadion blijft inderdaad een smeltkroes waar vormen van geweld altijd terug de kop kunnen opsteken", zegt sportsocioloog Bart Vanreusel in "Het kwartier", de podcast van VRT NWS. "In zo'n stadion zijn een aantal aanleidingen die makkelijk kunnen leiden tot geweld. Je hebt er bijvoorbeeld altijd een groot wij-tegenover-hen-situatie, de thuisploeg tegenover de tegenpartij."
Sportsocioloog Ramón Spaaij ontwaart een zestal factoren die volgens hem meespelen in het hoofd van voetbalhooligans. Een ervan is "territoriumdrift". "Leden van de harde kern hebben een duidelijk beeld van wat hun territorium is. En ze kicken erop om het territorium van hun tegenstander te schenden." Komt daarbij het groepsgevoel, beaamt ook Ignaas Devisch. "Er is een gevoel van stammentwist. Vanuit een sterk groeps- of identiteitsgevoel meent men in andere groepen een vijand te moeten erkennen."
"Blijkbaar is er een kleine groep supporters voor wie de identiteit met hun club van zo'n groot belang is dat verlies van de club ook leidt tot verlies van hun eigen identiteit", voegt Bart Vanreusel toe.
"Jonge mannen"
Ook mannelijkheid speelt een rol, stellen experts vast. "Relschoppers willen zich bewijzen als mannen. Mannen die niet bang zijn en hun vuisten laten spreken terwijl ze dat buiten het voetbal misschien niet zo vaak doen", aldus Spaaij. "Het beeld van jonge mannen klopt zeker", vertelt Vanreusel. "En ze komen uit diverse lagen van de bevolking." Devisch sluit zich daarbij aan: "In voetbalstadions zie je toch nog altijd voor het overgrote deel jonge mannen. Dat geeft een andere sfeer dan wanneer er families zijn bij een sportwedstrijd."
En die jonge mannen voelen zich dan ook nog eens autonoom. "Relschoppers vinden dat er niemand boven hen staat", legt Ramón Spaaij uit. Niet de politie, niet het gezag, maar ook niet de leiding van hun eigen club of supportersfederaties. Dat laatste merkt ook Ignaas Devisch op. "Ik heb al met verschillende supportersfederaties gesproken en zij geven ook aan dat de situatie veranderd is ten opzichte van vroeger. Er zijn nu veel kleine relatief onafhankelijke groepjes die op zichzelf opereren en waar ze eigenlijk geen vat op hebben. Dat maakt het complexer."
Wellicht komen die groepjes "supporters" ook met een andere dan puur sportieve reden naar een voetbalstadion, ziet ook Bart Vanreusel gebeuren. "Je hebt een groep supporters die zich graag met een club vereenzelvigen. Zij zullen waarschijnlijk vergezeld worden door mensen die echt heibel komen zoeken. En dan krijg je een smeltkroes van een kleine harde kern, ten koste van de hele groep supporters."
