Het ging met bloed, zweet en tranen gepaard, maar de federale regering heeft haar begroting klaar. Het tekort is groot, en de vraag is: is er reden tot paniek? Nee, maar de begrotingsproblemen gaan nog niet meteen weg. Ook de komende jaren zullen de cijfers dieprood kleuren, met de pensioenen en de gezondheidszorg als eerste mogelijke slachtoffers. Om de welvaart op peil te houden, zullen hervormingen nodig zijn, maar die komen er voorlopig niet. En over twee jaar zijn er alweer verkiezingen.
Zorgen over het Belgische begrotingsbeleid, maar staat het land echt aan de rand van het bankroet?
Je kunt er haast je klok op gelijk zetten. Als het begrotingstijd is in de Wetstraat, trekt de regering naar de Zestien, de ambtswoning van de premier, om er te vergaderen bij nacht en ontij. Het stramien kennen we: de partijen lekken wat voorstellen naar de pers (meestal om ze op te blazen), en ondertussen wordt een crisissfeertje opgepookt. Niet altijd omdat de onderhandelingen écht op breken staan, maar vaak om aan te tonen hoe hard iedereen gevochten heeft. Zodra er witte rook is, gaan de ministers en partijvoorzitters dan in de buitenwereld hun persoonlijke overwinningen claimen.
De Wetstraat is voor een stuk theater. Slecht theater met goede acteurs, zei N-VA-voorzitter Bart De Wever ooit. Over de kwaliteit van de acteurs kan gediscussieerd worden, maar over die van de scenarist ook. Want is het in tijden van crisis niet bizar om überhaupt overwinningen te claimen? Natuurlijk zijn er een aantal beslissingen gevallen, de bevolking en bedrijven krijgen bijvoorbeeld ondersteuning bij de energiecrisis. Maar de vooruitzichten zijn en blijven asgrauw.
Erling Haaland
In 2024, aan het einde van deze legislatuur, zal het tekort van de federale overheid 22,4 miljard bedragen. Om een idee te geven: 22,4 miljard, dat is iets meer dan de helft van de kostprijs van Twitter, 383 keer de transferwaarde van Erling Haaland, het goudhaantje van voetbalclub Manchester City, of nog, het opgetelde maandloon van 6 miljoen (gemiddelde) Belgen.
Nog wat cijfers op een rij, om de omvang van de problemen aan te tonen. Alleen al het federale tekort komt neer op 3,2 procent van het bbp – het bruto binnenlands product, de waarde van alle goederen en diensten die op een jaar in België geproduceerd worden.
Voor dit jaar wordt dat op 557 miljard geraamd. Dat betekent dat het tekort gestaag stijgt: in 2017 en 2018 flirtten we even met het begrotingsevenwicht, maar daar maakt covid een einde aan. Voor alle overheden samen zal het tekort tegen het einde van de regeerperiode ongeveer 5 procent bedragen.
Oplopende staatsschuld
Het betekent ook dat de staatsschuld oploopt. Lag die in 2019, het jaar vóór de covidcrisis, op 98 procent van het bbp, dan zal die eind dit jaar 104 procent bedragen (de schatting komt van het Planbureau en is enkele weken oud). In 2027 zou de staatsschuld zelfs oplopen tot 114 procent van het bbp.
Laat het even doordringen: dat is een stijging van de schuld met 268 miljard euro in 8 jaar tijd, tot 735 miljard in totaal. En op die som moet uiteraard rente betaald worden (die door de hoge inflatie stijgt). In 2027 zal die rente ruw geschat zo’n 12 miljard euro bedragen.
De problemen liggen trouwens niet enkel bij de federale overheid. Net zo goed bij de verschillende deelregeringen die dit land rijk is: overal kleuren de begrotingen bloedrood. Het meest nog in Wallonië, met een tekort van 4 miljard euro (of zo’n 20 procent van het budget).
Is de situatie ernstig of hopeloos?
De vraag is dan natuurlijk: moeten we ons zorgen maken? Ja. Maar als de vraag is: staat België aan de rand van het bankroet, dan is het antwoord: nee. Ook al hebben veel mensen het moeilijk, als land is er nog geen reden tot paniek. Het is niét zo dat België aftakelt tot een Griekenland aan de Noordzee.
De vergelijking met de jaren zeventig en tachtig zet de zaken in perspectief. Het zijn de hoogdagen van de CVP-staat, met premiers Leo Tindemans en Wilfried Martens. De inflatie piekt en er woekert een energiecrisis: olie wordt op korte termijn acht keer duurder. Het doet een belletje rinkelen, maar desondanks is vergelijken met de huidige crisis niet mogelijk.
In 1981 bijvoorbeeld, onder CVP-premier Wilfried Martens, bedroeg het overheidstekort 13,85 procent – een stuk meer dan de ongeveer 5 procent waar alle overheden samen op het einde van de huidige regeerperiode op afstevenen. Als we nu eenzelfde tekort in procenten zouden hebben, zou dat – rekening houdend met de stijging van het bbp tussen 1981 en 2022 – neerkomen op een tekort van 77 miljard. Evenmin te vergelijken: de Belgische schuldgraad steeg tussen 1979 en 1983 met zo’n veertig procent, tot 106,8 procent.
Volgens André Decoster, expert overheidsfinanciën aan de KU Leuven, is een herhaling van het scenario van de jaren 80 uitgesloten, ook al omdat Europa dat nooit zou toelaten. Het huidige tekort is ernstig, vindt hij, “maar dat cijfer hoeft ons geen zorgen te baren. Drie of vijf procent, op de korte termijn maakt dat niet veel verschil. Het langetermijnstekort is veel erger.”
De vergelijking met de jaren zeventig en tachtig zet de zaken in perspectief.
Wat hij bedoelt is dat het in tijden van crisis normaal is dat de regeringen de economie en de burger ondersteunen. Tijdelijke overheidstekorten zijn geen probleem zolang ze na de crisis afvlakken. Maar wat zien we? Dat dat niét gebeurt, dat het Planbureau het langetermijntekort zelfs op zo’n 5 procent schat. Dus ook na covid, en na de Oekraïnecrisis (die hopelijk ooit zal verdwijnen).
Problemen op de langere termijn
Misschien komen we nog niet meteen in de problemen, over een aantal jaren dreigt dat dus wel te gebeuren. Zeker de financiering van de pensioenen en de gezondheidszorg zijn kwetsbaar, en misschien zullen we die op termijn niet meer op dezelfde hoogte als vandaag kunnen houden. Volgens Decoster is het uitgesloten dat de belastingen of sociale bijdragen kunnen dalen. En zelfs aan werkgeverszijde is men daarvan overtuigd. “Gaat gewoonweg niet, daar moet je realistisch in zijn”, zegt Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van VOKA.
Zeker de financiering van de pensioenen en de gezondheidszorg zijn kwetsbaar, en misschien zullen we die op termijn niet meer op dezelfde hoogte als vandaag kunnen houden.
Ook hij ziet het langetermijntekort als hét grote probleem. “Tijdelijke tekorten verdwijnen weer. Maar bij ons zijn de overheidsuitgaven na elke crisis sinds de jaren 90 gestegen, en gingen ze niét weer naar beneden.”
Hij verwijst naar de voorspellingen van het IMF, die hij omschrijft als een “horrorverhaal”. In 2027 heeft België het grootste begrotingstekort van industrielanden na de VS, de economische groei zal lager liggen dan in de meeste andere landen, en de overheidsuitgaven zijn de hoogste na Frankrijk.
Reden tot paniek is er misschien niet, het gat in de begroting (gecombineerd met de inflatie en de slabakkende economische groei) zorgt er mee voor dat het de komende jaren moeilijk wordt om veel te investeren. Wat nochtans nodig is: er zal veel geld nodig zijn voor de vergrijzing en gezondheidszorg, maar ook voor investeringen in infrastructuur, in defensie of een duurzamere samenleving.
Wat doet de politiek?
Zijn die problemen op het conto van de politiek te schrijven? Het is zeker zo dat er de voorbije jaren veel debat was over de begroting. Moet die in evenwicht zijn? Of mag je in het rood gaan om de economie te stimuleren? Dat is een belangrijke, zo zien we in Groot-Brittannië. Daar keldert de economie omdat de regering van Liz Truss een stevig gat slaat in de overheidsfinanciën.
Maar op dit moment zijn tegelijkertijd diepgaander hervormingen nodig – van de fiscaliteit, de pensioenen, de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg, de energiebevoorrading – er zijn haast te veel prangende kwesties om op te noemen.
Toch is dat nog niet gebeurd, ook niet bij deze begrotingsopmaak. De vaderlandse politiek is vooralsnog niet in staat gebleken om akkoorden te vinden over hervormingen op langere termijn. Zal daar politieke moed voor nodig zijn? Ongetwijfeld. En de komende jaren zullen moeten uitwijzen of de (weliswaar versnipperde) Wetstraat de moed kan vinden om voorbij de dagjespolitiek en de horizon van de eerstvolgende verkiezingen naar een project op langere termijn te kijken.






