Ik stop als nieuwsombudsman. Eigenlijk was ik eraan begonnen voor een mandaat van drie jaar. Het zijn er een dikke vijf geworden. Tijdens de coronajaren was het niet eenvoudig om er ineens mee op te houden. Maar je mag zo'n rol als nieuwsombudsman ook niet te lang volhouden. Na duizenden mails, zijn dit de laatste antwoorden. Op vragen die nog in de mailbox zaten, of op vragen waarvan ik me kan voorstellen dat mensen ze zich stellen. Tot ziens, en aan alle mailers: dank u wel.
Wanneer heb je ruzie gehad met de hoofdredactie?
Echte ruzie nooit, we hebben in het begin al afgesproken dat we publiekelijk van mening konden verschillen. Uiteindelijk is dat in één geval heel duidelijk gebeurd. Ik was het niet eens met de beslissing van de hoofdredactie om lang te wachten met te berichten over de BV’s die naaktfoto’s naar “Eveline” hadden gestuurd. Heel vervelend voor de betrokken BV’s, uiteraard.
Maar het nieuws zong voortdurend rond op sociale media, terwijl de hoofdredactie wou wachten tot er een formele klacht was ingediend bij het gerecht. Speelde er voorzichtigheid mee voor het “eigen volk”? Een redactie moet zich daar hoe dan ook niet door laten kennen. Je mag jezelf niet in een situatie plaatsen waar er op prulmedia meer te vernemen valt dan in journalistieke media. Ik heb toen in een column gezegd dat ik een andere keuze zou hebben gemaakt.
Ten gronde denk ik dat journalistieke media geen sluiswachter meer kunnen zijn. Het internet laat dat gewoon niet meer toe. Als er wat te vertellen valt, gebeurt dat toch, met alle overdrijving en kwaadwillige framing vandien. Of ik dat een gelukkige evolutie vind, is een heel andere kwestie. Maar het is, vrees ik, wat het is. Sluiswachter zijn we niet meer, maar we kunnen wel nog boeien in het water zijn en de ware proporties van zaken duiden. Maar dan moet je het wel op je website hebben staan.
Wanneer heb je het beleid van de redactie kunnen bijsturen?
Te vaak om te kunnen opsommen, eigenlijk. En meestal op basis van opmerkingen van het publiek. Dat gaat van kleine gesprekjes met presentatoren waarin je zegt 'doe wat minder dit', 'doe wat meer dat' of 'pak het zo aan', tot invalshoeken voor reportages.
Belangrijk vond ik bijvoorbeeld dat er onder mijn impuls een einde is gekomen aan al die kleine polls op de website. (“Vindt u dat x?” Antwoord: “mee eens” of “niet mee eens”) Dat soort polls is zinloos, want je kan er met de beste wil van de wereld geen relevante peilingen van maken. En ze worden vaak ook nog gemanipuleerd door mensen die oproepen lanceren om het resultaat in de ene of in de andere richting te beïnvloeden. Ze zijn nooit representatief. Doe het dan ook gewoon niet. Ik heb met genoegen vastgesteld dat ze bij VRT NWS verdwenen zijn.
Hoe zat het nu met die coronaberichtgeving? Was de redactie een overheidscommunicatiekanaal?
Bij het begin van crisissen heb je vaak een moment waarop de overheid vrijwel alle informatie in handen heeft. De overheid heeft het beste overzicht over het front. De overheid weet wat de druk is op de ziekenhuizen, bijvoorbeeld. Het is dus logisch dat je in het begin van een crisis veel mensen aan het woord krijgt die de overheid vertegenwoordigen of die het vertrouwen hebben van de overheid. Maar dat betekent niet per definitie dat de kritische reflex weg is. Toen toenmalig staatssecretaris Philippe De Backer (Open VLD) en viroloog Marc Van Ranst samen in “De zevende dag” zaten, in het begin van de pandemie, kreeg ik tientallen mails van kijkers die vonden dat de heren veel te kritisch waren geïnterviewd. U leest dat goed: té kritisch. Hoe rijm je dat met media die een overheidscommunicatiebureau zouden zijn geweest?
Ook in 2020 waren er Pano’s over de virologen die het belang van terugkerende vakantiegangers hadden onderschat, over de falende contacttracing en over de blunder om de strategische mondmaskervoorraad te vernietigen. Dat is niet typisch voor een overheidscommunicatiebureau.
Je gaat toch echt niet beweren dat er niets mis was met die berichtgeving?
Tuurlijk was de berichtgeving niet perfect. (Het beleid ook niet trouwens.) Ik heb in de loop van de tijd heel wat kritiek gegeven op die berichtgeving. Soms vond ik dat de redactie blijk gaf van te weinig dossierkennis. Ik vond ook dat er in bepaalde periodes te weinig aandacht was voor slachtoffers en zorgpersoneel.
Maar ten gronde heeft de coronaberichtgeving van de Vlaamse media de Vlamingen niet bedrogen. Er is veel kritiek mogelijk, maar ze heeft wel degelijk een juist beeld gegeven van de crisis. De column die ik daarover geschreven heb, is voor mij de belangrijkste uit mijn mandaat. Het zou me plezier doen als u hem nog eens herlas.
Wat deed die coronaperiode met de nieuwsombudswerking?
De coronaperiode was heel bijzonder. Er waren massa’s mails en ik kreeg de meeste uiteenlopende getuigenissen binnen. Vaak ging het niet om klachten maar om mensen die erkenning wilden voor hun verhaal. Hoeveel mensen zijn er niet eenzaam gestorven in ziekenhuizen? Het verhaal van een verpleegster die haar hulpeloze, dementerende moeder niet mocht vergezellen in het ziekenhuis, zal me voor altijd bijblijven. In 2020 en 2021 hebben ikzelf en mijn medewerkers gruwelijk hard gewerkt. Om desinformatie recht te zetten of gewoon om mensen nabij te zijn. Soms hadden we niet meer dan een bemoedigend woordje in ons arsenaal. Ik hoop dat het af en toe toch deugd heeft gedaan.
Waar was je gefrustreerd over?
Grote frustraties heb ik niet, kleine wel. De belangrijkste daarvan is dat de redactie veel meer aan bronnenvermelding zou moeten doen. En dat ook zou moeten volhouden in teksten. Wij zeggen u niet dat iets zus of zo is, we melden u dat een relevant iemand zégt dat het zo is. In een coronacontext: het zijn niet “dé cijfers”, maar “de cijfers van Sciensano”. In buitenlandartikels: iemand heeft iets gezegd aan Reuters of aan AP. Nee, we hadden zelf geen reporter ter plaatse. Wees daar duidelijk over. Het kan kleinzierig lijken om dat heel consequent vol te houden, maar ik vind dat heel belangrijk. We zijn geen woordvoerder van Sciensano, van de overheid of van belangrijke drukkingsgroepen. We denken alleen dat het relevant is om u te melden wat zij gezégd hebben.
En een recenter voorbeeldje: “het Russische leger” heeft dingen gedaan, eventueel de “Russische president Poetin” of “het Russische regime”, maar niet “De Russen”. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat heel wat Russen niet om een oorlog met Oekraïne gevraagd hebben. Het is dus niet juist, maar vooral ook niet fair om te spreken over “de Russen”. Zeg dus: “Het Russische leger” of “De Russische regering”. Dat is een kwestie van hygiëne en hygiëne moet je volhouden.
Hoe zit dat nu met “wit” en “blank” ?
Symbooldiscussies leiden onvermijdelijk tot frustraties in beide kampen. Zelf was ik vooral verbaasd over de emotionaliteit van de discussie, die lang is blijven doorsluimeren in mijn mailbox.
Allicht omdat ik zelf ooit taalkunde heb gestudeerd, vind ik het vreemd dat ik in deze discussie zelden of nooit een taalkundig argument in mijn mailbox heb gehad.
Voorstanders van "wit" beweren vaak met grote stelligheid dat er in de koloniale zeventiende eeuw gekozen is voor “blank” omdat dat stond voor puur en rein. Wie heeft er dan gekozen? En hoe weet je welke bedoeling die had? Zulke uitspraken lijken me eerder op de rand van de pseudowetenschap te balanceren. De standaardisering in het Nederlands, zeker in Vlaanderen, komt pas echt op gang in de tweede helft van de negentiende eeuw, zelfs begin twintigste eeuw. Als u iemand ontmoet die beweert te weten waaròm "blank" het gehaald heeft, dan zou ik die stelling toch met de enige argwaan benaderen. Niemand kan dat met zekerheid weten. En als we zeggen dat de straten "blank" staan, bedoelen we niet dat die straten daar puur en rein van worden, maar wel dat ze na een overstroming vies en vuil zullen zijn.
En toch ben ik geen taalconservatief. Taal mag veranderen. Als mijn kinderen later “wit” zeggen, dan is dat maar zo. Het enige wat me ergert is dat die taalverandering op hoge poten wordt afgedwongen met dure woorden als “dekolonisatie” terwijl de argumentatie daarvoor vrij mager is. In mijn mailboxen hielden de "blanken" en de "witten" elkaar vrijwel perfect in evenwicht. Beide zijden met hun emoties. Het resultaat is niet dat de samenleving inclusiever wordt van die discussie, maar juist dat ze meer gepolariseerd geraakt.
Aan actievoerders was het soms heel moeilijk om uit leggen dat ook andere mensen emoties hebben. Dat zij het bijvoorbeeld echt wel als een onterecht verwijt ervaren te moeten horen dat hun ouders of zijzelf “koloniaal” of zelfs “racistisch” waren omdat ze het woord "blank" gebruikten. Terwijl ze oprecht nooit iets kwaadaardig bedoeld hebben met dat woord.
Ik heb de redactie daarom aangeraden om “blank” en “wit” door elkaar te gebruiken. Ik vind niet dat de openbare omroep een kant moet kiezen of met de fanfare voorop moet gaan lopen in dit soort zaken.
“Blank” is in deze context overigens wel degelijk een kleur. En zoals ik bij mezelf kan vaststellen is die kleur niet wit. Ook blanke mensen zijn dus mensen van kleur. Alleen onzichtbare mensen hebben geen kleur.
Het zit dat met “handicap” en “beperking”?
Ook dit kwam geregeld terug in mijn mailbox. Sommige actiegroepen zeggen met grote stelligheid dat “handicap” niet getuigt van respect. Maar de grootste Vlaamse vereniging van mensen met een handicap - nog steeds de Katholieke Vereniging van Gehandicapten - heeft al jaren het standpunt dat ze juist vóór “handicap” zijn. Hun argument is: iedereen heeft beperkingen, een handicap is iets bijzonders en dat mag benoemd worden. Bovendien heet het Vlaams Fonds voor Personen met een Handicap, het Vlaams Fonds voor Personen met een Handicap. (En dus niet “beperking”.) Ook hier vind ik dat de redactie niet moet kiezen. Ze gebruikt dus “beperking” en “handicap” door elkaar.
“Mensen met dit, mensen met dat”
Omschrijvingitis. Zo noem ik de vraag om van bepaalde groepen altijd uitdrukkelijk te vermelden dat het om “mensen” gaat. Ik heb dat altijd heel paternalistisch gevonden. Waarom zou van sommige mensen moeten benadrukt worden dat het mensen zijn? Was er iemand die dacht dat het konijnen waren? Ik ben nooit boos op een journalist die die omschrijvingen toch zou gebruiken. Maar ik begrijp ook dat omschrijvingen soms lastig zijn in titels of radioberichten die erg kort moeten zijn. Daar kan ik ook wel begrijpen dat bijvoorbeeld soms het woord “illegalen” wordt gebruikt. “Maar mensen kunnen toch niet illegaal zijn?” Nee, maar dat is ook niet de betekenis van het woord “illegaal”. Een “illegaal” is iemand die illegaal in het land is. En dat kan wel. Media moeten nu eenmaal soms kiezen voor heel beknopt taalgebruik.
Het argument dat mensen niet mogen gereduceerd worden tot één aspect en dat je daarom “mens met” moet zeggen is onzin. Ook als je “mens met een handicap” zegt, benoem je maar één aspect. En dat moet kunnen in de taal. Als ik van mezelf zeg dat ik een journalist ben, betekent dat nog niet dat ik niet ook een vader of een sportvisser zou kunnen zijn. Er wordt gewoon één aspect benoemd dat op dit moment relevant is. De afgelopen vijf jaar was ik nieuwsombudsman, Vlaming, vader en science fiction liefhebber. En gehandicapt. Mocht u dat niet weten: ik draag al jaren vrij zware hoorapparaten. En ja, ik was ook mens. De mening van geen enkel mens is overigens zaligmakend.
Mogen VRT-journalisten een islamitische hoofddoek dragen op het scherm?
Een vraag die af en toe binnenliep en waar ik moeilijk op kon antwoorden omdat er geen beleid over vastligt. Het is dus een vraag voor de hoofdredactie. Persoonlijk vind ik dat journalisten beter geen religieuze symbolen dragen in nieuwsprogramma’s. Voor die programma’s bestaat een decretale onpartijdigheidsplicht. Als je ervoor kiest om een symbool van één religie te dragen, (of een T-shirt van één voetbalploeg of een speldje van één politieke partij) dan kan dat wringen met het vertrouwen in die onpartijdigheid. Maar dat is alleen maar een persoonlijke mening en ze gaat alleen over nieuwsprogramma’s.
Waar was je het meeste trots op?
Waarom zou een nieuwsombudsman niet ook trots mogen zijn op de redactie? Er waren zeker momenten waarop ook een onafhankelijk nieuwsombudsman moet kunnen zeggen: “Goed gedaan”. Dat gevoel had ik het meest bij de Pano over de humanitaire visa die verkocht werden door Melikam Kucam. Ik heb het onderzoek van Pano vrij grondig bekeken en het leek me heel degelijk. Pano heeft toen ook iets gedaan, waar ik vaak voor heb gepleit: dat de redactie bij groot onderzoek ook meteen zou communiceren hoe het onderzoek werd gevoerd. Was er samenwerking met Justitie? (Nee) Wat was dan de aanleiding? (Getuigen die zelf contact zochten met de redactie.) Ik heb over die Pano tientallen mails gekregen van mensen die vonden dat N-VA “geviseerd” werd. (Melikam Kucam was N-VA-lid) Er was ook veel detailkritiek: “Was alles wel juist vertaald?”, dat soort dingen. Intussen is Melikan Kucam veroordeeld en lijdt het geen twijfel meer dat die Pano een mooi stukje onderzoeksjournalistiek heeft geleverd. Dat was ook van in het begin mijn eigen inschatting.
Kan je als personeelslid van VRT wel voldoende loskomen van de hoofdredactie?
Dat vond ik eigenlijk wel. Al begrijp ik de vraag wel. Als voorzitter van de redactieraad zat ik al eerder in een rol waar je soms je nek moest durven uitsteken op de redactie. In elk geval vind ik mezelf onafhankelijk genoeg om nog deze kritiek mee te geven: de hoofdredactie heeft, vind ik, tijdens mijn mandaat zelf te weinig gecommuniceerd. Daardoor was de nieuwsombudsman op sommige momenten zowat het enige gezicht of de enige woordvoerder van de VRT-nieuwsredactie. Dat is niet goed voor de nieuwsombudsfunctie want die dient daar niet voor. De hoofdredactie moet naar mijn gevoel veel meer zichtbaar zijn in het publieke debat.
Is dat eigenlijk hard werken, nieuwsombudsman zijn?
Het eerste jaar was ik alleen en dat was echt onhoudbaar. Ik heb toen nachten doorgestoken om de berg mails min of meer te slechten. Nee, ik heb niet àlles kunnen beantwoorden, maar toch veel. Zeker tijdens de coronajaren kon dat alleen maar dankzij tijdelijke versterking van mensen die een handje kwamen toesteken. Ook een legertje stagiairs heeft bijgesprongen en ik heb ook op dit moment nog een heel beperkt team. Voor al die mensen bij deze een zeer welgemeende dank u wel.
Word je opgevolgd?
Dat is een vraag voor de hoofdredactie. Voorlopig staat er geen opvolger klaar. Dat vind ik jammer, maar ik begrijp het wel. In alle bescheidenheid: het is geen makkelijke functie. Maar ik zou het jammer vinden als er geen nieuwsombudsman meer komt.
Ik begrijp van de hoofdredactie dat ze zal blijven inzetten op interactie met het publiek. Ik heb hen gezegd dat je interactie met publiek moet zien als een vierde medium. Naast tekst, beeld en geluid is interactie een manier om nieuws te verspreiden en te garen. Klachten zullen blijven beantwoord worden, de mensen zullen opmerkingen en suggesties kunnen blijven geven. De nieuwsombudspagina zal blijven bestaan. Het is de bedoeling dat de redactie daar laat weten wat ze met de input van het publiek heeft gedaan. Voorlopig zullen er wel geen columns meer zijn.
Hoe kijk je nu op terug op de nieuwsombudsmannerij?
Ik vond het eigenlijk heel boeiend om allerlei reacties van het publiek ongefilterd binnen te krijgen. Hoewel de job in principe inhoudt dat ik moest waken over het redactiestatuut, was ik vaak psycholoog. Begrip tonen voor hoe iets is overgekomen zonder in routinezinnetjes te vervallen. Uitleggen dat er veel meer toeval speelt op een redactie dan mensen soms denken. Het heeft me een veel scherper beeld gegeven van de kijkers, lezers en luisteraars en ik hoop dat ik dat beeld aan de redactie heb kunnen doorgeven.
Dat was natuurlijk ook alleen maar mogelijk omdat er heel wat mensen met degelijke argumenten kritiek, vragen en opmerkingen hebben gegeven aan de redactie. Ook voor al die mensen: een welgemeende dank je wel.





