Langs de Frans-Belgische grens werd decennialang een kat-en-muisspel gespeeld tussen smokkelaars en douaniers. Sommige smokkelaars - of blauwers - waren zo goed dat ze levende legendes werden in de grensstreek. Zo was er Maria Butterbille. Radio 2 zocht uit wie zij was en hoe ze aan haar bijnaam kwam. Bestond ze echt of was ze een legende?
Radio 2 ontrafelt de hele zomer lang mysteries uit Vlaanderen en Brussel. Met de hulp van luisteraars en experten proberen we antwoorden te krijgen over geheimzinnige verhalen.
Voor het verdrag van Maastricht de Europese grenzen in 1993 openstelde, vormde gesmokkel voor veel grensstreekbewoners een welkome aanvulling op hun inkomen. Vanuit België smokkelde men vooral tabak de grens over. In de andere richting was het vooral drank. Maar er werd nog heel wat meer stiekem de grens over gesmokkeld.
Zo bestaan er verhalen over een vrouw die boter de grens over smokkelde. Ze naaide zakken in haar onderbroek, die vulde ze met boter en zo probeerde ze ongezien Frankrijk te bereiken. Maar op warme dagen smolt de boter weleens tijdens de tocht. Met beboterde billen tot gevolg. Het leverde haar de bijnaam Maria Butterbille op.
Zientje van 't Hellegat
In de grensstreek bestaan nog heel wat verhalen van legendarische smokkelaars. Zoals dat van Zientje van ‘t Hellegat. Zij woonde in het bos aan de Rodeberg. Op archieffoto’s zien we haar zitten voor haar huisje van "plak en stak": bescheiden huisjes opgetrokken uit stro en leem rond houten vlechtwerk. Naar haar is nu zelfs een plaatselijke wijn vernoemd.
Tot aan de Eerste Wereldoorlog woonde in en rond het grensbos het zogenaamde “Rodebergvolkje”. Ze woonden er in eenvoudige huisjes en konden overleven op een paar kippen, konijnen en een schaap of een geit voor de melk, boter en kaas. Maar om een beetje extra geld in het laatje te krijgen, smokkelden ze geregeld wat spullen de nabijgelegen grens over.
Hoe pakten de smokkelende vrouwen het aan?
Kotje Piepers
Een stukje van het bos kreeg de klinkende naam “Kotje Piepersbos”. Dat brengt ons een stapje dichter bij Maria Butterbille, want zij bleek er samen te wonen met haar man: Kotje Piepers. Hij kreeg die bijnaam omdat iedereen die het bos in wilde, hem een kus moest geven, of een “pieper” in het dialect.
Volgens Renata Bruggeman, die het Rodebergvolkje goed kent, leefden ze een beetje teruggetrokken. “In de nabijgelegen dorpen waren ze zelfs een beetje bang van die bosbewoners. Het maakte hen erg mysterieus."
Naast de kachel om de boter te laten smelten
De douaniers bleken Maria Butterbille goed te kennen. Niet alleen de zon liet haar pakjes boter immers smelten. Wanneer de mannelijke douaniers haar konden onderscheppen in het plaatselijke grenscafé, mochten ze de vrouw niet fouilleren. Daarom zetten ze haar naast de kachel, gooiden ze wat extra kolen op het vuur en moesten ze alleen nog wachten om de boter langs haar benen naar beneden te zien druipen.
Smokkelschoenen en -kinderwagens
Net over de grens, in het Franse Godewaersvelde, heeft het Musée de la Vie Frontalière een grote smokkelcollectie. Je komt er te weten hoe de grensbewoners erin slaagden de douaniers om de tuin te leiden. Van omgebouwde kinderwagens tot schoenen met een holte in de zool en vernuftige auto’s die door bossen en over spijkers kunnen rijden. Maar er zijn ook riemen te zien die vrouwen onder hun rok verstopten en waaraan flessen of tabak gehangen konden worden. Van een boter-smokkelende vrouw uit Westouter hadden ze in het museum echter nog niet gehoord.
Een luisteraar van Radio2 daarentegen wel. Die wist ons te vertellen dat Kotje Piepers’ echte naam Cyriel Vanuxsem was en dat hij getrouwd was met ene Maria Lenoir, onze Maria Butterbille dus. Meer sporen van het geheimzinnige smokkelkoppel konden we in registers en stambomen niet vinden. Ook afstammelingen meldden zich niet aan. Is Maria Butterbille een legende of bestond ze écht? Het mysterie blijft overeind.
Regionaal nieuws uit West-Vlaanderen







