VRT NWS-journalist Marijn Trio trok vlak voor de oorlog in Oekraïne uitbrak naar het land om reportages te maken. Hij was ter plekke toen het conflict in alle hevigheid losbarstte. Intussen heeft hij Oekraïne weer verlaten. Hieronder doet hij zijn verhaal.
"Marijn, Poetin heeft Oekraïne oorlog verklaard": het verhaal van onze journalist die strijd ter plekke zag losbarsten
Doorgaans vertrek je als journalist naar een oorlog, nadat die is uitgebroken. Nu zijn we er op het moment dat de strijd in alle hevigheid losbarst. We zijn in Pokrovsk, in de regio Donetsk in het oosten van Oekraïne. De frontlijn met de pro-Russische rebellen is hier niet ver vandaan. Het is hiér dat iedereen dacht dat het zwaarste zou worden gevochten indien Rusland Oekraïne zou binnenvallen.
De avond voor de oorlogsverklaring voelen we al dat iets groots op til is, nadat de leiders van de separatistische volksrepublieken Donetsk en Loegansk de Russische president Vladimir Poetin om militaire steun hadden gevraagd. De cameraploeg en ik spreken af om onze bagage in te pakken en klaar te zetten, zodat we snel zouden kunnen vertrekken. De hele nacht hou ik Twitter en nieuwssites in de gaten, tot de vroege eindredacteur van het radionieuws belt uit Brussel: "Marijn, Poetin heeft de oorlog verklaard aan Oekraïne".
Al snel is duidelijk dat het Russische offensief zich op héél Oekraïne richt en niet alleen op de oostelijke regio. De uitbaatster van het hotelletje in Pokrovsk dat we midden in de nacht halsoverkop verlaten, vraagt waarom we zo snel vertrekken en of we ons ontbijt dan niet meer willen. Als ik haar vertel dat Poetin de oorlog heeft verklaard, slaakt ze een diepe zucht en brengt ze haar handen in ontzetting naar haar gezicht.
Oekraïners beschouwden Russen altijd al als een broedervolk. Toen ik twee weken eerder ook al door Oekraïne reisde, vielen me – zeker in het oosten – nog maar eens de nauwe banden op. Veel Oekraïners hebben familie of vrienden over de grens, al zijn de contacten de laatste jaren wel verwaterd.
Sinds Oekraïne in 2014 een pro-westerse koers is beginnen te varen, is het alsmaar moeilijker geworden om de grens over te steken, is het wederzijds onbegrip gegroeid en zijn de politieke spanningen alsmaar toegenomen. Tot ze – nu dus – een absoluut kookpunt hebben bereikt.
Danilo en Anastasia
In een mum van tijd zijn zeker vier steden waar we twee weken eerder nog reportages hebben gedraaid, gebombardeerd: Kiev, Tsjernihiv, Soemi, Charkov. In de eerste dagen van de oorlog zullen ze aangevallen en (bijna) omsingeld worden door Russische troepen. De gezellige, levendige steden veranderen op enkele dagen tijd in oorlogsgebied.
Ik vraag me af wat met Danilo is gebeurd, die zijn noodkoffer en volautomatisch wapen had klaarliggen om zijn familie en de hoofdstad Kiev te verdedigen. Of met de vrijwilligers in Tsjernihiv, ten noorden van de hoofdstad – gewone mannen en vrouwen die in de besneeuwde bossen rondom Tsjernihiv werden opgeleid om de stad te verdedigen. Of met Anastasia: de jonge moeder die met haar man en drie kinderen al jaren in een tijdelijke containerwoning leefde in Charkov, nadat ze in 2014 op de vlucht was geslagen vanuit Donetsk voor die eerdere oorlog.
Anastasia zou niet de enige zijn die voor een tweede keer heel haar leven moet omgooien. Op onze tocht door Oekraïne zien we voor onze ogen de vluchtelingenstroom aanzwellen. We staan meer in de file dan dat we kunnen rijden. Een plaats vinden om te slapen, blijkt quasi onmogelijk. Uiteindelijk vinden we toch altijd een bed. De hotels lopen over: mensen slapen op zetels in de gang of stoelen van het restaurant.
Op een provinciale weg in het centrum van Oekraïne botsen we op een grote colonne auto’s en busjes, geparkeerd bij een verlaten koffiehuis. Alle inzittenden – een dertigtal vrouwen, mannen en kinderen – komen uit één stadje: Severodonetsk, in de regio Loegansk, vlak bij de rebellengebieden.
Een jonge vrouw uit de groep vertelt me dat ze in 2014 al een eerste keer gevlucht waren, toen dus voor de pro-Russische separatisten. Ze bouwden een nieuw leven op in Severodonetsk, dat ze nu opnieuw moeten achterlaten. De vrouw is dokter en heeft een kantoor vol duur medisch materiaal. Voor de camera wil ze niet spreken, ze vreest voor plunderaars. Maar ze vreest vooral dat ze nooit meer zal terugkeren naar huis. Zonder plan zijn ze westwaarts beginnen te rijden. Ze overwegen de grens over te steken en het land te verlaten, maar de jonge mannen in de groep kijken vertwijfeld: mannen onder de zestig mogen niet weg en moeten beschikbaar blijven voor de oorlog.
Aan de grensovergangen levert dat hartverscheurende taferelen op. Vrouwen nemen afscheid van hun man, kinderen van hun vader, zonder te weten wanneer en of ze hen ooit nog zullen terugzien. Bij de Roemeense grens zien we hoe een jongen en zijn vader ná de eerste paspoortcontrole nog uit de wagen werden gehaald en de rest van het gezin – moeder, kleine broer en zus – vaarwel moeten zeggen. Het leed dat de oorlog veroorzaakt toont zich niet alleen in wie vlucht, maar ook in wie achterblijft.
Betonblokken en checkpoints
Toch is de strijdlust onder veel mannen – en ook vrouwen – die achterblijven bijzonder groot. Bogdan, een jonge tomatenkweker en veteraan uit de oorlog van 2014 met wie ik enkele weken eerder in Oekraïne had samengewerkt, stuurt me een foto van hem in volledige gevechtsuitrusting. Hij woont met zijn zwangere vrouw in een voorstadje van Kiev. Meer informatie geeft hij niet.
In de dagen na de start van de oorlog beginnen vrijwilligers overal betonblokken aan te slepen en checkpoints op te richten rond dorpen en steden. Lokale ondernemers, leerkrachten of landbouwers bewapenen zich en controleren het verkeer op mogelijke Russische saboteurs. Onze auto wordt verschillende keren binnenstebuiten gekeerd door Oekraïense vrijwilligers. Maar we worden ook uitgenodigd om – na de oorlog, die ze "zeker zullen winnen" – te komen barbecueën en feesten.
En ook Oekraïense jongeren doen hun duit in het zakje. In een dorpje in het westen van Oekraïne maken schoolkinderen camouflagenetten om tanks en artillerie aan het oog van de vijand te onttrekken. "We kunnen toch niet gewoon naar school gaan of leuke dingen doen, terwijl aan het front mensen hun leven voor ons geven", zegt een 17-jarig meisje me. Hier denkt niemand aan vertrekken, zegt ze.
Toch heerst naast het dappere optimisme ook een grote angst onder de bevolking. Eén keer, in een klein dorpje in het westen van Oekraïne, raken de gemoederen bijzonder verhit. Wanneer de dorpsbewoners onze camera zien, worden ze nerveus en twee vrouwen stappen vastberaden en kwaad op ons af. Ze vinden ons verdacht, vinden mijn Russisch accent té Russisch en vertrouwen het zaakje helemaal niet. Op enkele minuten tijd is het hele dorp rond ons en onze auto verzameld en is iedereen door elkaar aan het roepen. De politie moet de gemoederen komen bedaren. Zonder hen waren we er niet weggeraakt.
Ik had het de voorbije jaren al gemerkt: Russisch is in grote delen van Oekraïne meer en meer toxisch geworden. Het patriottisme is enorm toegenomen, de appreciatie van de eigen taal en cultuur is nieuw leven ingeblazen. Dat heeft de Russische president Poetin grotendeels zelf veroorzaakt met de annexatie van de Krim en de Russische steun aan de rebellen in Oost-Oekraïne. "Ons land is al acht jaar in oorlog", hoor je in Oekraïne voortdurend.
Volgens Poetin zijn Oekraïners en Russen één volk. Of anders geformuleerd: zijn de Oekraïners geen echt volk en hebben ze geen eigen geschiedenis los van de Russische. Hoe meer Poetin dat wil bewijzen, hoe meer hij het omgekeerde effect bereikt.
"Er is nog behoorlijk wat pro-Russisch sentiment", zei een advocaat en ex-militair in de regio Donetsk me de avond voor de oorlogsverklaring van Poetin. "Maar ik zal je zeggen wanneer dat zal stoppen: als er 152mm en 122mm kaliber granaten naar hier worden afgeschoten. Dan zullen ze beseffen dat Rusland nooit vrede brengt en alleen maar verwoesting."
Zijn woorden bleken profetisch.





