Op 29 april 1945 beginnen Britse en Amerikaanse vliegtuigen voedsel te droppen boven het hongerende westen van Nederland. De hongersnood dreigt er voor grote sterfte te gaan zorgen. Het is amper een week voor de bevrijding van heel Nederland en de voedseldroppings worden daarvan het symbool.
Dit is een bijdrage van Ingrid de Zwarte, universitair docent aan Wageningen Universiteit. In haar boek De Hongerwinter (2019) onderzoekt zij de oorzaken en gevolgen van de hongersnood in West-Nederland tijdens de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog.
De voedseldroppings in het voorjaar van 1945 zijn het ultieme symbool van de bevrijding van Nederland. Tussen 29 april en 8 mei werpen geallieerde bommenwerpers met toestemming van de Duitse bezetter tien dagen lang voedsel af boven de hongerende steden in het westen. De Britten noemen het Operatie Manna, de Amerikanen, enigszins ongepast, Operatie Chowhound oftewel lekkerbek. Vanaf straten en daken juichten de Nederlanders hun bevrijders toe met vlaggen en andere nationale symbolen. In de herinnering van sommigen waren de pakketten veranderd in Zweeds wittebrood, dat als manna uit de hemel viel.
Hoewel de voedseldroppings van grote symbolische waarde waren, was het aandeel in de bestrijding van de hongersnood maar beperkt. De hoeveelheden waren relatief klein, en de noodhulp arriveerde bovendien slechts enkele dagen voor de bevrijding. Waarom duurde het zo lang voordat de geallieerden te hulp schoten?
De discussie over noodhulp aan bezet Nederland begint al in de herfst van 1944, maar die onderhandelingen verlopen uiterst moeizaam. De geallieerde blokkadepolitiek dicteert dat voedselhulp alleen uit neutrale landen binnen het blokkadegebied mag komen, onder de voorwaarde dat het de militaire operaties niet in gevaar brengt. Hulpverlening moet op de eindoverwinning op nazi-Duitsland volgen, en niet andersom. Hoewel de Rode Kruiszendingen begin 1945 een bijdrage leveren aan het verlichten van de honger en een belangrijke psychologische invloed hebben, zijn ze met slechts 5 kilo voedsel per persoon maar een druppel op de gloeiende plaat.
Pas in maart 1945 hervatten de besprekingen over geallieerde hulpverlening, in het bijzonder over de mogelijkheid om vliegtuigen in te zetten voor voedseldroppings. De Nederlandse regering heeft dit idee al in november 1944 geopperd, maar richt zich dan nog op het verlichten van de voedselcrisis in bevrijd Zuid-Nederland. De Amerikanen konden zich in de plannen vinden, maar het Britse ministerie van Luchtvaart wilde eerst de militaire implicaties onderzoeken.
Als de discussies over voedselhulp zich niet langer op het bevrijde zuiden, maar op het bezette gebied gaan richten, keuren de geallieerden de voedseldroppings helemaal af. De vliegtuigen moeten namelijk weggehaald worden uit belangrijke gevechtsoperaties. Bovendien is noodhulp aan West-Nederland in strijd met geplande hulpoperaties aan geallieerde krijgsgevangenen ‘welk project prioriteit heeft direct na de vereisten voor het verslaan van Duitsland’. Naast deze militaire bezwaren stelt men de gesprekken ook uit omdat onderzoek uitwijst dat een dergelijke operatie onmogelijk kan worden uitgevoerd met beschikbare vliegtuigen uit de Second Tactical Air Force – alleen zware bommenwerpers kunnen dit werk doen.
Toch gaan de geallieerden in maart 1945 de voedseldroppings heroverwegen. Belangrijke drijfveer is de nieuwe schatting dat op 28 april de laatste voedselvoorraden in West-Nederland volledig uitgeput zullen zijn. Van danaf zullen 'op grote schaal' mensen door honger ‘ sterven. Bovendien heeft het Commando Western Holland District berekend dat het na de bevrijding nog enkele weken zal duren voor voedseltransporten over land kunnen plaatsvinden.
Volgens opperbevelhebber generaal Dwight D. Eisenhower laat bevrijding echter nog even op zich wachten – de Duitsers zullen zich niet zomaar overgeven en militaire operaties in het Westen zullen te veel mensenlevens kosten. Als alternatief moeten alle mogelijke voorbereidingen worden getroffen om voedselhulp via de lucht mogelijk te maken.
De Duitse bezetter in Nederland is zich inmiddels bewust van zijn benarde situatie en wil onderhandelen. Op 2 april nodigt Rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden Arthur Seyss-Inquart secretaris-generaal voor Economisch Zaken Hans Max Hirschfeld uit om te praten over het lot van West-Nederland.
Seyss-Inquart zegt dat hij van West-Nederland geen militair frontgebied wil maken. Hij zal Hitlers bevel van de ‘verschroeide aarde’ negeren en meewerken aan een informele wapenstilstand waarbinnen hij geallieerde voedselhulp zou toestaan. De Rijkscommissaris wilde ook praten met het College van Vertrouwensmannen, de geheime vertegenwoordigers van de regering in bezet Nederland. Deze bijzondere ontmoeting vindt plaats op 12 april. Tegen dan is bezet Nederland al zo goed als volledig afgesloten van Duitsland.
In Londen zijn de meningen over onderhandelen verdeeld. Minister-president Pieter S. Gerbrandy aarzelt over de oprechtheid van de Duitsers. Sommige ministers vinden dat onderhandelingen geheel uitgesloten zijn, aangezien ‘ieder voorstel van een Nazi automatisch verdacht is’. Het Britse oorlogskabinet neemt het voorstel echter zeer serieus – een mentaliteitsverschuiving die samenhangt met de geallieerde opmars in Nazi-Duitsland en de risico’s van het bevrijden van een half verhongerd land.
De Britse generale staf gaat akkoord dat Eisenhower een spoedig begint met voedseldroppings, ondanks het risico dat de voorraden in Duitse handen kunnen vallen. Op 23 april wordt de opperbevelhebber ook gemachtigd om met de Duitsers te onderhandelen over een wapenstilstand die de levering van hulpgoederen mogelijk moet maken, op voorwaarde dat de onvoorwaardelijke overgave van de Duitsers niet in gevaar komt.
Eisenhower wijst twee strategische luchtmachten aan – het RAF Bomber Command en het Achtste USA Air Force – die in de nacht van 25 op 26 april testvluchten maken. Via radio en pamfletten roepen de Amerikanen en Britten de Nederlanders op om klaar te staan: ‘Onthoud dat wij uw vrienden zijn, en dat wij alles in onze macht blijven doen om u te helpen’.
Uiteindelijk stemmen de Duitsers op 26 april in met de voedseldroppings. Een dag later accepteert Seyss-Inquart de uitnodiging om zijn vertegenwoordigers met die van de geallieerden te laten spreken. Op zaterdag 28 april vindt in een school in het Utrechtse Achterveld de eerste Duits-geallieerde bespreking plaats. Het gaat om een verkennend gesprek, dat zich beperkt tot het onderwerp voedselhulp.
Eisenhowers wil direct na dit gesprek beginnen met de voedseldroppings, maar hevige storm en mist dwarsbomen zijn plannen. Als de lucht is opgeklaard stijgen zondagochtend 29 april de eerste Lancaster-bommenwerpers op van het Ludford Magna-vliegveld in de East Midlands. De eerste RAF-missie brengt 500 ton voedsel mee, die in navolging van routes en andere instructies die door Seyss-Inquart zelf zijn opgesteld boven de vier aangewezen zones worden gedropt.
Bij de tweede bespreking op 30 april zijn veel hooggeplaatste officieren van Duitse, geallieerde en Nederlandse zijde aanwezig, waaronder Seyss-Inquart zelf, Eisenhowers chef-staf Walter Bedell Smith en de Nederlandse Prins Bernhard. De geallieerden hopen dat de besprekingen zullen gaan over militaire capitulatie, maar daartoe is Seyss-Inquart niet bevoegd. Alle partijen komen overeen dat de voedseldroppings zo snel mogelijk moeten uitbreiden naar 1.550 ton per dag, waarna bevoorrading over land en zee zal volgen.
Tien dagen lang, van 29 april tot en met 8 mei, droppen Britse Lancasters en Amerikaanse B-17-bommenwerpers voedsel boven West Nederland. Van de 5.294 vliegtuigen die ze hiervoor inzetten, gaan er maar twee verloren. Door onervarenheid met afwerpen zonder parachutes op lage hoogte verlopen niet alle droppings even soepel. Sommige pakketten komen in het water terecht, andere zelfs in mijnenvelden. Direct na de eerste RAF-vluchten trekt de Duitse Weermacht vrijwel al zijn troepen en artillerie weg. Het aantal Nederlandse vrijwilligers dat zich aanmeldt om te helpen is zo groot, dat de meesten moeten worden afgewezen.
B-17-navigator Richard C. Hall
‘De Duitsers stonden toe dat we via een zorgvuldig beschreven route over bezet gebied vlogen en vanaf lage hoogte voedselpakketten afwierpen. Als we van de route afweken waarschuwden ze ons met rode lichtsignalen, maar ze hadden beloofd niet te schieten. De Britten noemden hun deel van de operatie wijselijk en gepast ‘Operatie Manna’ – voedsel uit de hemel. Ik schaam me nog steeds dat de Amerikaanse naam voor de missie ‘Chowhound’ was – een vreselijk woord dat tactloos gekozen was […]
Op 6 mei 1945 was ik de navigator in de eerste Amerikaanse B-17-bommenwerper. Voor zover ik me kan herinneren, hoorde ik pas die ochtend tijdens de debriefing dat we aan de operatie zou deelnemen. Het was onwaarschijnlijk om in een B-17 over continentaal Europa te vliegen en het gevoel te hebben dat ik daadwerkelijks iets goeds deed. Ik herinner me nog goed dat een arme koe zo van ons schrok dat ze weggaloppeerde – of dat althans probeerde – en vervolgens in de sloot belandde. Het meest bijzondere was wellicht dat de mensen ‘thank you’ in een tulpenveld hadden gespeld. Ik vond de operatie destijds fantastisch en dat vind ik nog steeds.’
Interview met dr. Richard C. Hall, oud-navigator US Eight Air Force (9 november 2016, Towson, VS).
In totaal droppen de geallieerden in die tien dagen ruim 10.000 ton voedsel. 7.800 ton kan gebruikt worden voor de centrale distributie, maar ook voor het bevoorraden van gaarkeukens, ziekenhuizen en hulporganisaties. In totaal komt de opbrengst neer op slechts 3 kilo per persoon in het hongerende westen. De psychologische meerwaarde van de voedseldroppings is echter niet in getallen uit te drukken.
Dankzij het Akkoord van Achterveld kunnen op 2 mei ook de eerste Canadese Dodge-trucks als onderdeel van Operatie Faust met voedsel vanuit Rhenen bezet Utrecht binnenrijden. Op 5 mei arriveren de eerste geallieerde schepen met hulpgoederen in de haven van Rotterdam.
Door het gebrek aan transportmiddelen en de verwoeste infrastructuur duurt het tot 10 mei – vijf dagen na de bevrijding – alvorens noodhulp de bevolking mondjesmaat kan bereiken. Pas eind mei 1945 komen de rantsoenen weer boven de 2000 kcal. Nadat de voedselcrisis in de zomer van 1945 geheel is verlicht, dragen de geallieerden hun verantwoordelijkheden over aan de Nederlandse autoriteiten. Zij heffen op 9 juli 1945 de noodtoestand in West-Nederland op.
Het aandeel van de voedseldroppings in het bestrijden van de hongersnood was dan misschien niet overweldigend; de symbolische kracht spreekt tot vandaag de dag tot ieders verbeelding.
Dit artikel verscheen eerder in andere vorm in Geschiedenis Magazine.

