Is verzoening in Rwanda nog mogelijk? - Peter Verlinden
Peter Verlinden is journalist bij VRT-Nieuws en gespecialiseerd in Midden-Afrika. Hij volgde eerst als persattaché bij Ontwikkelingssamenwerking en nu voor VRT-Nieuws het Rwanda-dossier sinds 1989.
In de nacht van 6 op 7 april 1994, precies 22 jaar geleden, begon in het kleine Rwanda, in Centraal-Afrika, de tragedie die honderd dagen zou duren, ongeveer 1,1 miljoen doden zou maken en de geschiedenis ingegaan is als ‘de Rwandese genocide’.
Feitelijk is de term die het huidige Rwandese regime nu gebruikt (zij waren de rebellen die de oorlog toen gewonnen hebben) veel exacter: ‘de genocide op de Rwandese Tutsi’s’. Want een genocide gaat per definitie over een gerichte (poging tot) uitroeiing van één bepaalde groep, in dit geval de Rwandezen die behoren tot de etnie van de Tutsi’s, met ongeveer 15% de minderheid in Rwanda.
Maar er was veel meer toen dan ‘de genocide op de Tutsi’s’. Naar schatting de helft of zelfs minder van de 1,1 miljoen doden in die fatale honderd dagen waren Tutsi’s. De andere slachtoffers waren Hutu’s (met ongeveer 85% de grootste bevolkingsgroep) of Twa’s (een zeer kleine groep, minder dan 1% van de bevolking), dus strikt genomen geen ‘genocideslachtoffers’.
Het ging dan om ‘oorlogsmisdaden’ en/of ‘misdaden tegen de menselijkheid’, waarvoor zeker voor een deel ook de rebellen van destijds, de huidige machthebbers, verantwoordelijk waren.
Vandaar dat de overkoepelende term, ‘de Rwandese tragedie’, wijst op álle moorden van toen: de genocide én de andere massamoorden.
Niet iedereen mag rouwen
In het Rwanda van vandaag, geleid door een kleine elite uit vooral de Tutsi-groep, is het verboden om te rouwen om de Hutu-slachtoffers. (Over die hele kleine groep, de Twa’s, wordt helemaal niet gesproken.) Alleen de ‘genocide op de Tutsi’s’ wordt officieel erkend, ook in alle genocidememorialen.
Wie openlijk probeert om de Hutu-slachtoffers te eren, of op z’n minst respect te vragen voor hun familie en vrienden, kan vervolgd worden voor ‘negationisme’, de ontkenning of minimalisering van de genocide (op de Tutsi’s), en riskeert volgens de Rwandese wet tot levenslang.
Zo zit de belangrijkste politieke opposante van de huidige president Paul Kagame, Victoire Ingabire, momenteel een gevangenisstraf van 15 jaar uit omdat zij het gewaagd had om bij haar terugkeer uit haar ballingschap in Nederland in 2010 openlijk te pleiten voor een échte verzoening van Hutu’s en Tutsi’s in haar land door het leed van beide bevolkingsgroepen te erkennen.
De afgelopen jaren en maanden is haar gevangenisregime alsmaar verder verstrengd, zelfs in die mate dat het nu meer en meer op marteling lijkt. (Overigens reageren de westerse regeringen nauwelijks of niet op die praktijken door het Rwandese regime.)
Een andere opmerkelijke gevangene is de bekende artiest Kizito Mihigo, zelf een Tutsi van wie een groot deel van zijn familie omgebracht werd in de genocide. Hij had een lied gemaakt waarin hij pleitte voor verzoening van álle Rwandezen door eenieders leed te erkennen. Het heeft hem 10 jaar gevangenis gekost en hij wacht nu op zijn proces in beroep.
Anderen hebben nog veel zwaardere straffen gekregen, tot levenslang, dikwijls omdat zij daarenboven contact gehad zouden hebben met oppositiegroepen in het buitenland die onveranderlijk bestempeld worden als ‘negationisten’, ook oppositiepartijen die geleid worden door Tutsi’s, dikwijls zelf slachtoffers van de genocide. Pas vorige maand hebben enkele hoge officieren, ooit nauwe medewerkers van president Kagame, gevangenisstraffen tot 25 jaar gekregen voor soortgelijke feiten.
Collectief schuldig
Enkele (min of meer) bekende politici en andere vooraanstaande figuren hadden de afgelopen jaren in Rwanda dus wel de moed om het leed van élke Rwandese familie in dat tragische voorjaar van 1994 te benoemen, met alle gevolgen van dien, maar voor de gewone Rwandezen diep in de heuvels is dat helemaal onmogelijk.
Daar worden onder het huidige regime alle Hutu’s zonder onderscheid gebrandmerkt als ‘de daders’ en alle Tutsi’s als ‘de slachtoffers’, nu al 22 jaar lang. Die (uiteraard onterechte) collectieve schuld voor één bevolkingsgroep, daarenboven de ruime meerderheid in het land, snijdt diep in de fragiele Rwandese samenleving die met deze aanpak nog altijd niet echt kan herstellen van de etterende wonden van 1994.
Elke vergelijking loopt mank maar het zou zijn alsof in 1967 nog álle Duitsers collectief gebrandmerkt en onderdrukt zouden blijven vanwege de misdaden door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Die bewuste politiek van het Rwandese regime heeft heel concrete gevolgen voor bijvoorbeeld de toegang tot het (hoger) onderwijs, ook tot overheidsfuncties, tot landbouwland … en dus voor de verdeling van de schaarse middelen over de hele bevolking. De schrijnende armoede in het binnenland is zeker niet uitsluitend een etnische kwestie (de meeste Hutu’s leven buiten de steden) maar wordt door vele Hutu’s wel zo ervaren.
Daarenboven en misschien nog het pijnlijkste van al: die collectieve culpabilisering heeft diepgaande psychologische, zelfs traumatiserende, effecten op een bevolking die zo al verplicht wordt om vooral te zwijgen.
Want overal kan iemand meeluisteren: elke min of meer kritische uitlating over zulke zaken kan je in de problemen brengen, in het beste geval in de vorm van een waarschuwing door een overheidsafgevaardigde (militair of burger), in het slechtste geval wordt het de gevangenis of nog erger.
Persoonlijke getuigenissen van recent naar België gevluchte Rwandezen (er komen er nog altijd zo’n 300 per jaar, nu al twintig jaar lang …) klinken bijzonder verontrustend: zij vertellen over willekeurige arrestaties zonder enige vorm van proces, over zelfs heel voorzichtig kritische mensen die hun job kwijt raken, over bedreigingen voor wie probeert om zijn rechten op te eisen, over heel veel angst, dag in, dag uit.
Welke verzoening?
Op die manier ligt een echte verzoening, zelfs 22 jaar na een van de zwaarste tragedies van de vorige eeuw, natuurlijk wel heel ver af. Want nog los van het dictatoriale regime met een president die nu tot 2034 aan de macht kan blijven, blijft het grote probleem van het Rwanda van vandaag de diepgaande verscheurdheid van zijn eigen bevolking, het diepgewortelde wantrouwen voor ‘de ander’, zo ook de onderdrukking door ‘de ander’.
De politiek van de afgelopen 22 jaar heeft die Rwandese ziekte niet aangepakt, wel integendeel. Door een ‘justitie van de overwinnaar’ te voeren, door één bepaalde bevolkingsgroep collectief verantwoordelijk te stellen voor de misdaden van een relatief kleine groep in 1994, wordt het gevoel van onderdrukking alleen maar gevoed, elke dag opnieuw.
Want elke Rwandees weet maar al te goed dat de huidige machthebbers mee verantwoordelijk zijn voor de tragedie van 22 jaar geleden: onrechtstreeks, door de oorlog te beginnen al in 1990, maar ook rechtstreeks door de massale moordpartijen door henzelf sinds 1990. De ‘genocide op de Tutsi’s’ vormt maar een deel van de Rwandese tragedie, dat is een historisch feit.
We gaan dan nog voorbij aan de misdaden van na 1994, onder meer de honderdduizenden Rwandese doden in Congo bij de jacht op de Rwandese vluchtelingen door het leger van het huidige regime in 1996-1998.
Ook buiten Rwanda
Die diepe verscheurdheid binnen het Rwandese volk zet zich door tot ver buiten de grenzen, overal waar Rwandezen zich na 1994 gevestigd hebben, als vluchtelingen en migranten, wereldwijd, ook in België.
Zo worden er gescheiden herdenkingsplechtigheden gehouden: die door de kritische diaspora, de opposanten tegen het huidige regime, steevast door het officiële Rwanda bestempeld als ‘negationisten’, en de officiële, georganiseerd door de Rwandese ambassades.
Op de sociale media staan die groepen lijnrecht tegenover elkaar, met wederzijdse staalharde verwijten die soms erg diep snijden en persoonlijk worden. In de restaurants en cafés ontlopen zij elkaar. In vele gevallen verscheuren die tegenstellingen de families zelf want de Hutu-Tutsi-verhouding is veel complexer dan het soms lijkt: vele families zijn gemengd en verankerd in beide gemeenschappen.
Het huidige regime kiest daarbij voor de confrontatie: er bestaat maar één waarheid, die van ‘de genocide op de Tutsi’s’ en alle ander leed is van tweede orde, onbespreekbaar, zelfs in Brussel, Parijs, Londen en Montréal.
Een echte verzoening kan er pas komen, binnen en buiten Rwanda, als elk leed van elke Rwandees, van elke familie, erkend wordt: Hutu, Tutsi en Twa. Als álle Rwandezen zullen kunnen rouwen, liefst samen. Dat past niet in de politiek van het huidige regime. En daarom zal er onder dit regime nooit een echte verzoening komen voor Rwanda, zelfs niet 22 jaar later.
