Mijn eerste kennismaking met Iran
Tot een douanier naar onze Carnet vraagt. Ik overhandig het document, dat mijn Chinese medewerker Chi in Peking na veel moeite heeft kunnen bemachtigen. Het is een soort transitformulier voor de wagen, dat via een heftige borgsom moet garanderen dat het voertuig niet zomaar ergens onderweg wordt verkocht. "Carnet ATA" staat erop. De douanier schudt zijn hoofd. "Dit aanvaarden wij alleen voor goederen, niet voor auto’s."
Alle landen op onze route waren tot nu toe ofwel tevreden met de Carnet ATA, ofwel vroegen ze behalve het inschrijvingsbewijs helemaal niets. Maar in Iran geldt alleen de Carnet de Passage en Douane, en dat is vanuit administratief oogpunt iets anders. Onze begeleider uit Teheran verzoekt om met de chef van de douane te kunnen spreken. Helaas, alle hoge piefen zijn van de grenszone weggetrokken zodat ze de Iraanse vicepresident, die in de buurt op bezoek is, kunnen gaan begroeten. Om een lang verhaal kort te maken: vier uur later zet een inderhaast opgetrommelde souschef de stempels op de juiste pagina’s –weliswaar na minutieuze instructies van monteur Stefan, want het bundeltje formulieren hanteert ingewikkelde geplogenheden.
De smeekbedes van onze begeleider hebben geholpen: de douanediensten waren uiteindelijk bereid een uitzondering te maken. Ik begin plezier te krijgen in mijn eerste kennismaking met Iran.
Sterke alcohol en mooie vrouwen
In het grensstadje is het ook mogelijk om een autoverzekering te nemen (dat was in sommige van de landen die we hiervoor passeerden niét het geval). Na het ontcijferen van de Chinese registratiedocumenten rolt de print uit het apparaat. Nog even poseren voor een foto met de bedienden van de verzekeringsmaatschappij, want westerlingen die hun kantoortje betreden, dat is een primeur.
Oh ja, het is een heel goede verzekering, zo krijgen we te horen, want als we iemand doodrijden, dan wordt er 30.000 dollar uitgekeerd. Dat is het reguliere bedrag voor zo’n geval. In de Koran zou ergens staan dat er 17 kamelen moeten worden gegeven aan de nabestaanden van iemand die per ongeluk om het leven komt. Maar dollars, dat telt handiger. En zo rijden we, veilig verzekerd en al, naar het nabijgelegen hotel.
Het meertje, de bloesem, de bergen op de achtergrond, het heeft iets idyllisch hier. En dat vinden plaatselijke trouwers ook, te oordelen aan de feestgangers die rondlopen in de tuin. Flink wat aanwezige vrouwen hebben geen hoofddoek op. We worden in gebroken Engels aangesproken door een vrolijke dertiger, die ons samenzweerderig een plastieken glas in de handen duwt en daarin uit een even plastieken fles een doorschijnend vocht giet. We zijn nog geen twee uur in Iran en we drinken sterke alcohol en kijken naar mooie, onbedekte vrouwen. Van het doorbreken van stereotypen gesproken.
Stereotypen
Stereotypen, die vinden we een eindje buiten Teheran. Het nog altijd deels in aanbouw zijnde mausoleum voor de leider van de Iraanse revolutie van 1979 –ayatollah Khomeini– is een trekpleister voor diepgelovige moslims, niet alleen uit Iran maar uit de hele islamitische wereld. Vrouwen lopen rond in de traditionele chador, het zwarte wijde gewaad dat het hele lichaam bedekt en van het hoofd alleen een cirkel rond ogen, neus en mond vrijlaat.
Onze pogingen om een gesprek aan te knopen met dames lopen vaak uit op een doorverwijzing naar de mannelijke begeleider. De weinigen die ons toch te woord staan, hebben het over een leven in dienst van Allah, over de verwezenlijkingen van de vereerde religieuze leider en over het martelaarschap. Onze begeleider, die duidelijk geen hoge pet op heeft van het fundamentalistische deel van de Iraanse samenleving, wordt er ongemakkelijk van. "Ze vertellen nonsens," zegt hij, "dit heeft niets te maken met het echte leven in Iran."
Wandelen boven bidden
Dat echte leven –of tenminste toch een ander leven– vinden we in de bergen ten noorden van Teheran. Duizenden mensen zijn bezig aan een steile klim. Ze wandelen tot het uitzichtpunt, vanwaar een kabelbaan vertrekt naar hoger gelegen plekken op de berg, waar in de winter wordt geskied. De meesten vertrekken zelf met rugzak en wandelstok, langs paden en wegels.
Het is vrijdag, de meest heilige dag voor de moslims. Vandaag moet er massaal worden gebeden. Maar deze inwoners van Teheran verkiezen een wandeling in de bergen. Aan hun outfit is duidelijk te merken dat ze tot de gegoede klasse behoren. Stevige stapschoenen, elegante jassen, jeans en fancy zonnebril. Veel vrouwen maken er een spelletje van om hun hoofddoek zo veel mogelijk naar achteren te laten hangen, losjes op de dot gevormd door het opgestoken haar. Hier en daar zien we meisjes die het doekje helemaal naar achteren hebben getrokken. Er is geen religieuze politie te bespeuren, en als ze er wel zijn, dan knijpen ze duidelijk een oogje dicht bij deze overtreding van de kledingregels voor vrouwen.
Geen benepen sfeer
Er wordt gezongen en gedanst hier op de berg, mensen lachen, koppels lopen hand in hand. Van een benepen sfeer is hier niets te merken. Helemaal anders dan het traditionele beeld dat wij hebben van Iran. Als ik met jongeren een praatje sla, bevestigen ze dat ze het hier best naar hun zin hebben. “Happy” zijn ze. Een beetje merkwaardig, want vorige herfst werden zes jongeren nog voorwaardelijk veroordeeld tot celstraffen en 91 stokslagen omdat ze het hadden aangedurfd om te dansen op de wereldwijd gehypete “Happy” van Pharrell Williams.
Maar dat de wandelaars het hier op de berg naar hun zin hebben staat buiten kijf. Alleen durven ze voor een buitenlandse camera duidelijk niet het achterste van hun tong laten zien. Op een jonge vrouw na, die cryptisch zegt dat ze toch “wat gelukkiger” zou willen worden. Alles is politiek, zoveel is duidelijk.
Soepele Sassan
De interviews hier konden we doen in het Engels, zonder dat onze begeleider zich ermee bemoeit. Sassan, met witte hoed en wandelstok, is een beetje een mysterieus figuur. We weten aanvankelijk niet goed wat van hem te vinden. Hij spreekt vloeiend Engels, was luitenant-tankist tijdens de oorlog met Irak, is gepensioneerd professor Sociale Wetenschappen, en sinds hij op rust ging, amuseert hij zich met het begeleiden van buitenlandse bezoekers.
Toeristen in de eerste plaats, maar ook onderzoekers die op historische sites komen werken, en af en toe journalisten. Het is niet de eerste keer dat ik te maken krijg met een ‘minder’ -iemand die perslui moet controleren. Maar Sassan is soepel. Hij zegt dat hij "aan onze kant" staat, hij deinst er ook niet voor terug om zijn ongezouten mening te geven over het regime van de mollahs. Het kan natuurlijk pose zijn, een spelletje. Toch ben ik geneigd om te geloven dat hij ons weliswaar oppervlakkig controleert, maar voor het overige laat betijen als we niet over een bepaalde schreef gaan. Ik had me de "begeleiding" in elk geval erger voorgesteld.
Openlijke vriendschap
Anderhalve dag in Teheran is te weinig om een gefundeerd oordeel te kunnen vellen over het echte leven hier. Maar ons korte verblijf valt enorm mee, vooral dankzij de onwaarschijnlijk vriendelijke en gastvrije Iraniërs.
Ontelbare keren horen we "Welcome in Iran" en "Thank you for coming". We worden onophoudelijk getrakteerd op thee, fruit of noten. Er komt altijd een glimlach als we de blik van een plaatselijke inwoner kruisen, of het nu een man is of een vrouw. Op de autoweg toeteren en wuiven mensen vrolijk naar onze merkwaardige jeep met zijn Chinese nummerplaat. Als dit een land van "evil" is, dan wil ik met graagte naar de hel. Zoveel openlijke vriendschap heb ik elders zelden meegemaakt. Al weet ik ook wel dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen een regime en zijn onderdanen.
50 dollar
Als we op het einde van ons bezoek bij de grens arriveren, halen we de Carnet ATA voor de wagen weer boven. Een man in leren jekker biedt aan om ons door de papierwinkel heen te helpen. Paspoorten verdwijnen samen met de andere documenten. De procedure vraagt tijd. Alweer véél tijd.
Plots verschijnt iemand met een walkietalkie. Hij legt aan Sassan uit dat de jeep het land illegaal is binnengeraakt. Het voertuig had nooit mogen passeren, tenzij op een oplegger. Want de Carnet die wij bij ons hebben, die geldt alleen voor goederen, niet voor wagens. Zoals we al eerder hadden gehoord. "Maar," zo klinkt het na de dreigende taal, "ik wil u helpen en zal toestemming geven om met de auto het land weer te verlaten." We schudden duizend keer de handen van de beambte en als we in de wagen willen stappen, komt de man in leren jekker weer langs met onze paspoorten. Hij praat wat met Sassan, en uiteindelijk lijkt alles nu in orde.
"Ik heb hem 50 dollar gegeven", kan Sassan me nog net voor ons vertrek duidelijk maken. Baksjisj, om onze foute Carnet toch ‘juist’ te maken, zo begrijp ik. Het had erger gekund, we verlaten Iran met een goed gevoel.