Op 16 april 1915, één week voor de eerste Duitse gasaanval, stuurde het hoofdkwartier van het Belgisch leger een waarschuwing naar de infanteriedivisies aan het front. Die was verrassend gedetailleerd, de legertop was duidelijk bezorgd over een nakend Duits offensief met gifgas.
De waarschuwing van de Belgische legertop liet weten dat de Duitsers 20.000 “mondmaskers” hadden laten maken en waterdichte zakjes om ze mee in te nemen. De maskers moeten vochtig zijn om te beschermen tegen verstikkende gassen.
Voort meldde het Belgisch opperbevel dat het Duits leger aan het front bij Ieper een offensief plande met een nieuw wapen. Nabij Roeselare, zo’n 20 kilometer van het front, waren speciale eenheden getraind om te werken met cilinders met dodelijk gas. En in de loopgraven waren al zo’n cilinders geplaatst, zo’n 20 stuks om de 40 meter.
De waarschuwing was gebaseerd op informatie uit verschillende bronnen, maar een jonge Gentse vrouw bracht enkele van de belangrijkste stukken aan van de puzzel.
Deze tekening van de Duitse auteur Hanslian illustreert de wijze waarop de eerste gasaanval technisch werd georganiseerd. De gasmaskers zijn wel van een later type.
Spionnen 40B en 45B
Louisa, de dochter van de Gentse textielfabrikant Théophile d’Havé, was net 20 toen de oorlog uitbrak in 1914. Vier van haar broers streden aan het front in het Belgisch leger, zij wou ook haar steentje bijdragen.
In november 1914 bood ze haar diensten aan als spionne voor het Belgisch leger. Het Ministerie van Oorlog in Le Havre vond haar te jong en onervaren, maar majoor Mage van de Belgische Militaire Inlichtingendienst in de Engelse havenstad Folkestone was onder de indruk van haar gedrevenheid.
De jonge vrouw had ook het voordeel dat ze nog makkelijk naar het neutrale Nederland kon reizen. Vanuit de Nederlandse haven Vlissingen werd informatie van spionnen doorgestuurd naar Folkestone.
Onder het mom dat ze in het neutrale Nederland stoffen ging kopen voor de textielfabriek van haar familie, kreeg Louisa van de Duitse bezetter toestemming om de grens over te steken. Zo ook kon ze in november naar Frankrijk en Engeland doorreizen.
Majoor Mage nam Louisa in dienst als spionne, vanaf die dag ging zij door het leven als ‘agent 40B’. Terug in Gent bracht de jonge vrouw haar vader op de hoogte, en ook Théophile besloot zijn diensten aan te bieden. Hij werd 'agent 45B'.
Aanpappen met de Duitsers
Van de Belgische Militaire Inlichtingendienst kregen vader en dochter d’Havé de opdracht te proberen het vertrouwen van de Duitsers te winnen, en zo militaire geheimen in handen te krijgen. Ze kregen ook toelating om desgevraagd textiel voor de Duitsers te produceren.
Théophile d’Havé begon nu vaak Duitse officieren bij hem thuis uit te nodigen, in alle openheid. Veel Gentenaars gingen hem als een landverrader zien. Maar de d’Havé’s kregen snel nuttige informatie in handen.
Tussen januari 1915 en februari 1916 zou Louisa d’Havé in totaal veertig à vijftig keer militair gevoelige informatie naar Nederland smokkelen. Van Vlissingen werd die doorgestuurd naar de inlichtingendienst in Folkestone, die belangrijke informatie doorstuurde naar het hoofdkwartier van het Belgisch leger in Houtem bij Veurne.
Een supergeheime Duitse bestelling
In februari plaatste het Duitse leger een bestelling bij de d’Havé's. Er moesten 5.000 zakjes gemaakt worden, in het “feldgrau” van de Duitse uniformen. De zakjes moesten met rubber waterdicht gemaakt worden.
De Duitsers huurden alleen de machines in de fabriek van de d’Havés. Omdat de bestelling zo geheim was, zouden Duitse militairen het werk uitvoeren, zelfs al waren in Gent duizenden ervaren arbeiders werkloos.
Het bericht bereikte het Belgisch hoofdkwartier op 24 februari 1915. Later wist Louisa nog te melden dat dat de onervaren soldaten-arbeiders maar traag vorderden, tot woede van het Duitse hoofdkwartier.
Op 19 maart kwam het bericht uit Gent dat er 7.000 stuks waren bijbesteld. De Duitse militairen moesten nu 24 uur op 24 doorwerken als het nodig was, om de bestelling op tijd klaar te krijgen. Louisa probeerde tevergeefs te weten te komen waarvoor de zakjes moesten dienen, geen enkele Duitser leek het te weten of wou iets zeggen.
Maskers zijn gasmaskers
Op 13 april kwam een bericht van Louisa d’Havé binnen bij het Belgisch hoofdkwartier dat meer duidelijkheid schiep. Het Duitse leger had nog een bestelling geplaatst, nu van 20.000 maskers in textiel, die mond en neus moesten afdekken. De maskers moesten vochtig worden gehouden in de zakjes die de Duitsers eerder al hadden laten maken.
En een Duitse officier had Louisa verteld dat de maskers nodig waren “om de soldaten te beschermen tegen verstikkend gas dat de Britten zouden gebruiken aan het front”. Eerder al had Louisa een model van het mondmasker meegesmokkeld naar Vlissingen. Omdat ze het belang eerst niet begrepen, hadden haar tussenpersonen het niet eerder doorgestuurd naar Folkestone, maar nu wel.
Met deze informatie viel de puzzel helemaal in elkaar. Een Duitse krijgsgevangene en een Belgisch spion in de buurt van Roeselare hadden in dezelfde dagen nog andere informatie geleverd, over de speciaal getrainde gastroepen en het ingraven van gascilinders in de loopgraven.
De Belgische Militaire Inlichtingendienst was er door de informatie van Louisa d’Havé nu vrij zeker van dat er een grote Duitse aanval op komst was. Het is niet zeker of de Belgische legertop helemaal overtuigd was, maar toch alvast bezorgd genoeg om op 16 april de waarschuwing te sturen naar de troepen aan het front (zie inleiding).
Informatie niet gebruikt
Het chloorgas dat de Duitsers op 22 april 1915 om 17 uur tussen Steenstrate en Langemark loslieten, trok vooral over de Franse loopgraven, met moordende gevolgen. De Belgen, die links van de Fransen lagen, zagen het wel gebeuren, maar hadden er zelf maar beperkt last van.
Het is niet duidelijk of de informatie vanuit het Belgisch hoofdkwartier tot bij de troepen was doorgedrongen, en of zij anders zouden hebben gereageerd dan de compleet verraste Fransen, als zij midden in de gifwolk hadden gelegen.
Bij een tweede Duitse gifgasaanval, in de nacht van 23 op 24 april werden alvast heel wat Belgische soldaten wel zwaar ziek. Maar bij nog een Duitse aanval de 24e lieten de Belgische soldaten zich niet meer verrassen: ze wisten intussen dat ze mond en neus moesten afdekken met een doek, natgemaakt met water of urine. De Belgen speelden een belangrijke rol bij het afslaan van de Duitse doorbraak.
Ook het Franse leger had duidelijke informatie gekregen over een nakende gasaanval. Op 14 april gaf een Duitse overloper, August Jäger, zijn ondervragers zeer gedetailleerde inlichtingen over de speciale gaseenheden en gascilinders en de maskers die pas geleverd waren.
Het Franse opperbevel negeerde die informatie, naar verluidt omdat het Jäger wantrouwde. Ook aan Brits-Canadese kant was informatie over gifgas doorgesijpeld. De Geallieerde legers wisselden hun informatie uit, maar alleen de Belgische legertop vond het nodig om een waarschuwing uit te sturen.
Argwaan en misprijzen
De meeste Duitsers die in die dagen krijgsgevangen werden genomen, droegen een zakje met masker dat in Gent was gemaakt en waarover Louisa de informatie had doorgegeven. Het eerste gasmasker dat het Belgische leger liet produceren vanaf 25 april, was een kopie van het Duitse.
Kort na de eerste gasaanval begonnen de Duitsers in Gent Louisa en Théophile d’Havé te wantrouwen. De jonge vrouw kreeg geen vergunningen meer om in Nederland stoffen te gaan kopen. Toch zou zij tot februari 1916 militaire geheimen de grens over blijven smokkelen, een “passeur” hielp haar telkens om onder de elektrische “dodendraad” aan de grens te raken.
Eind februari 1916 stierf vader Théophile in Gent. Het misprijzen van de Gentenaars en de argwaan van de Duitsers waren steeds ondraaglijker geworden voor hem.
Duitse soldaten zouden de lijkkoets met de kist van de fabrikant met getrokken bajonet naar het graf hebben begeleid, om te verhinderen dat omstaanders met stenen gooiden.
Na de dood van haar vader bleef Louisa in Nederland tot het einde van de oorlog.
Vergeten helden
Na de oorlog kreeg Théophile d’Havé posthuum eerherstel. In februari 1920 werd hij, samen met Louisa en een andere dochter, Marie, die ook had gespioneerd, benoemd tot ridder in de Leopoldsorde. Alle drie kregen die dag ook een Eervolle Vermelding van de Natie en het Burgerlijk Kruis eerste klasse 1914-1918, met zilveren kroon.
Maar hun verhaal kreeg in de jaren na de Grote Oorlog weinig aandacht. In 1919 verscheen één enkel artikel in de krant Le XXe Siecle over hun spionagewerk. Om de klanten van hun textielzaak ervan te overtuigen dat ze niet hadden gecollaboreerd, lieten de d'Havé's op de achterkant van hun commerciële correspondentie het krantenartikel afdrukken.
De Britse krant The Daily Sketch bracht het verhaal nog eens groot in mei 1934, gevolgd door La Dernière Heure en La Libre Belgique. De Nederlandstalige kranten volgden niet. Tot aan het overlijden van Louisa in 1966 leefde in haar omgeving het gevoel dat ze niet genoeg erkenning had gekregen voor haar spionagewerk.
Om Louisa d'Havé te eren werd in Gent in 2020 een fiets- en voetgangersbrug naar haar genoemd.
Met dank aan Marijn Van Laere, achterkleinzoon van Louisa d’Havé, en historicus Luc Vandeweyer (Algemeen Rijksarchief).

