Op zoek naar radiostilte
Een volgende ontgoocheling dient zich aan wanneer ze mijn werkhoekje zien. Ik denk dat ze stiekem hoopten op een grote machine met flikkerende lichten waarmee ik m’n radioberichten naar Brussel doorsein. Maar op m’n clean desk ligt alleen een flinterdunne zilveren laptop. Als ze geluk hebben, zien ze ook een koptelefoon of microfoon liggen. Maar daar houdt het op. Geen bandopnemers, geen hangende opname-toestellen, geen zelfgebouwde studio met geïsoleerde wanden. Ik werk gewoon aan m’n bureau, met natural sound als achtergrond. Dat is trouwens niet zonder risico. Er zijn verschillende soorten stilte en _ zo mocht ik hier leren_ : er zijn nog meer soorten lawaai.
Gekke pianist
Wat is het ergste dat mij hier als radiomaker had kunnen overkomen? Een gekke pianist als buurman, juist. En u raadt het al: ik heb inderdaad een gekke pianist als buurman.
De eerste keer dacht ik dat de buurman gewoon van klassieke piano hield. Dat hij een liefdesbreuk moest verwerken en daarom op de meest onmogelijke tijdstippen de dramatische muziek keihard speelde. Maar het klonk verdacht levensecht en sommige riedels werden ook eindeloos herhaald. Maar het klinkt erger dan het is. Ik hoor z’n piano eigenlijk alleen in de badkamer, of als ons beider ramen open staan. En dat heeft ook iets moois. Verder hoor ik in de verte wel eens een tram voorbijrijden, maar dat is alleen maar charmant. Er schieten ook auto’s , scooters en zelfs paarden langs als ik in opname ben. Dan moet het opnieuw, niets aan te doen. Ronkende hoogtewerkers, stratenmakers met drilboren: ik heb het allemaal meegemaakt. Maar da’s allemaal niets in vergelijking met mijn grootste vijand: de klusjesman.
Oost-Europese klussers
Sinds ik hier ben wordt gezeurd over de crisis, maar ik merk er weinig van. Rondom mij wordt geklust, gebouwd en geverfd dat het een lieve lust is. In Brussel maakte ik dit nooit mee. Mijn overburen verhuisden daar gewoon naar een andere verdieping van hun huis als het ergens te bouwvallig werd. Hier wordt de huisschilder erbij gehaald voor de kleinste schilfer. Van aan mijn bureau heb ik momenteel zicht op twee stellingen. Een huis aan de overkant heb ik de voorbije maanden zien veranderen van ruïne in riant grachtenpand. Zolang het mijn opnames niet verknoeit, hoor je mij niet. Maar helaas gaat het geklus meestal gepaard met hels, zenuwslopend lawaai dat ik de luisteraar niet kan aandoen.
Zo ben ik eens om kwart voor 12 in paniek door het gebouw gerend met m’n microfoon in de hand. Er was weer ergens een pedofiel opgeduikeld en ik moest voor het middagnieuws een item maken. Maar ergens in het gebouw werd onophoudelijk geklopt en geboord. Het geluid was erg moeilijk te traceren. Ik rende trap op en af, tot ik uiteindelijk de goeie deur te pakken had: het gebonk hield op toen ik aanbelde. Er werd niet opengedaan en toen ikzelf dan maar radeloos begon te bonken op de deur werd duidelijk waarom. Achter de deur schuilde een stel Oost-Europese klussers, van kop tot teen gehuld in witte pakken. Ze spraken geen woord Nederlands. Met gebarentaal en m’n microfoon smeekte ik hen om de komende 3 minuten even niets te doen. Ze deden het braaf.
Aanpappen met liftboys
Het allerergste wat ik meemaakte, was de installatie van nieuwe liften in het gebouw. De oude liften hadden wellicht meer dan 30 jaar uitstekend dienst gedaan, en net tijdens mijn verblijf werden ze vervangen door nieuwe exemplaren voor de komende 30 jaar. Dat was een verschrikking. Het hele gebouw trilde urenlang, overal was stof. Op sommige dagen zocht ik asiel bij de collega’s van de NOS. De werken duurden zo lang dat ik noodgedwongen moest aanpappen met de liftboys. Hun mobiele nummer stond op m’n handpalm geschreven voor wanneer ik hen weer ‘ns moest vragen pauze te nemen. Op den duur moest ik alleen nog maar m’n vragende gezicht tonen om hen stil te leggen. “De Vlamingen danken u!”, riep ik er soms achteraan.
Terwijl ik dit schrijf is aan de overkant al urenlang iemand schrijnwerk aan het afschaven met een luide machine. Van boven klinkt af en toe geklop van een klusser. Er is één troost: tegen 4 uur ’s middags rapen al die klussers hun spullen bij elkaar. Ze rijden huiswaarts in hun witte bestelbusjes en zitten tegen zessen bij moeder de vrouw achter de piepers. Ik vertel u dit allemaal zodat u nog beter zou luisteren naar m’n bijdragen. Misschien hoort u in de verte een flard pianomuziek, misschien is het tramgerinkel. Maar het kan ook geklop zijn. Dan weet u dat ik de klusser niet op tijd kon bereiken.