De strijd om de olie in het Virungapark - Peter Verlinden
De Belgische prins raakte zwaargewond op de enige weg tussen de provinciehoofdstad Goma en het hoofdkwartier van het Virunga-park, alleen in zijn goed-herkenbare jeep, toen onbekenden verschillende kogels om hem afvuurden. Snel werd de aanslag afgeschilderd als deel van een complot om de Britten van de oliemaatschappij SOCO International plc vrij spel te geven.
Want Prins Emmanuel de Merode is inderdaad de meest vooraanstaande tegenstander van de mogelijke oliewinning in het unieke park en ligt daarover de afgelopen maanden en jaren openlijk dwars, ook tegenover zijn hiërarchische oversten in Kinshasa. Maar zoals zo dikwijls kent ook dit verhaal nog vele onbekende hoeken en kanten.
Op papier is er niets aan de hand
Het verhaal van de mogelijke olievelden onder het Edward-meer, dat op Congolees grondgebied integraal behoort tot het Virunga-park, kadert volledig in de veel ruimere problematiek van de grondstoffenvoorraden in (Oost-)Congo en in de grote financiële en politieke belangen die daarmee gepaard gaan. Op papier is er immers, zeggen zowel SOCO als de Congolese regering, helemaal niets aan de hand. Al in juni 2006 verwierf het Britse beursgenoteerde bedrijf van de regering in Kinshasa een licentie om in een gebied van ongeveer 7.500 Km2, zowat een kwart van België, grotendeels gelegen in het door UNESCO beschermde Virunga-park, naar olie te zoeken. (Dat was, voor de ‘petite histoire’ maar niet onbelangrijk, vlak voor de eerste democratische verkiezingen in de DRCongo.)
Pas vier jaar later, einde juni 2010, vlak voor de viering van 50 jaar Congolese onafhankelijkheid en dus onopgemerkt op dat ogenblik, volgt het presidentiële decreet dat de licentie omzet in de formele toestemming om alvast met proefboringen te beginnen in het Edwardmeer. In de officiële teksten wordt omstandig verwezen naar de Congolese grondwet en andere wetteksten om te verantwoorden dat én de licentie én de ‘uitvoeringsbesluiten’ daarvan ‘en bonne et due forme’ afgeleverd zijn, helemaal zoals het hoort.
Uitstel is geen afstel
Pas twee jaar later dringen de plannen goed en wel door tot in de vissersdorpen aan het Edwardmeer. Het verzet klinkt aanvankelijk heel gematigd. De lokale bevolking, via haar plaatselijke vertegenwoordigers, vraagt dat de visserij op het meer geen schade zou oplopen, daar leven zeker 10.000 gezinnen van, maar verwacht tegelijk veel van de nieuwe economische activiteiten. Ecologische overwegingen komen maar zijdelings aan bod in ‘de verklaring van Vitshumbi’ van maart 2012.
Aanvankelijk moet SOCO International om veiligheidsredenen de activiteiten in het Virunga-park uitstellen. Er wordt gevochten met de rebellenbeweging M23 die met Rwandese en Oegandese steun een deel van het park, inclusief het mogelijk olierijke segment, bezet houdt. Maar als einde 2013 de rebellen goed en wel teruggedreven zijn naar hun ‘moederlanden’ Rwanda en Oeganda, dan komt de economische honger weer naar boven.
Internationaal protest
In Kinshasa blijft het, zoals altijd bij dit type dossiers, oorverdovend stil. In Londen voelen de nijvere Britten geen enkele belemmering om met hun mogelijk lucratieve plannen door te gaan. Intussen hebben wel verschillende internationale natuurorganisaties het dossier naar zich toegetrokken. Het World Wildlife Fund loopt daarbij voorop en bestookt de internationale pers met alarmerende communiqué’s over de nefaste ecologische gevolgen voor mens en natuur als er olie zou gepompt worden in het fragiele Virunga-park.
Vooraanstaande stemmen zoals Desmond Tutu en Richard Branson hebben zich al achter de wereldwijde oproep geschaard om het iconische park, het oudste van Afrika, te sparen. En ook enkele Westerse regeringen drijven mee op die stroming.
Begin mei is SOCO dan gestart met seismisch onderzoek in het Edwardmeer en volgens de Britse oliefirma zullen de activiteiten op het terrein vooralsnog niet verder gaan dan dat en volgt het bedrijf een strikte morele code waarbij de bescherming van mens en milieu voorop staan.
Immense economische druk op het park
De sleutel van dit verhaal ligt in de presidentiële residentie in Kinshasa. In dit hoogst gecentraliseerde en autocratisch bestuurde Congo beslist finaal president Kabila over de ‘grote dossiers’. Wat de Congolese wetten, tot en met de grondwet, voorschrijven, dat weegt maar in tweede orde op die beslissingen. Voorop staan de belangen van de betrokken elites, zowel in Kinshasa als in en om het waardevolle park. En die elites vormen een bijzonder ingewikkeld kluwen. Daarbij horen niet alleen toppolitici en generaals in hun villa’s in Binza, de residentiële wijk van Kinshasa, maar ook provinciale politieke en militaire leiders, zelfs zeer plaatselijke eigenaars van gronden en bedrijven, tot en met de ‘chefs coutumiers’, de traditionele locale leiders, die zeggingschap claimen over de natuurlijke rijkdommen in hun gebied en wat die kunnen opbrengen.
Toen ik in 2009 voor het eerst met Emmanuel de Merode in Rumangabo het lot van het Virunga-park besprak, en daarna ook de kans kreeg om het park op de meest gevoelige plaatsen te bezoeken, bleek al dat de bescherming van dit werelderfgoed een bijzonder delicate strijd betekent tegen belagers allerhande. Toen ging het vooral om het hout, dat bijzonder geschikt is om houtskool mee te maken, zowat de enige brandstof die de Congolezen gebruiken om voedsel mee te bereiden. Verdienstelijke pogingen om andere vormen van huishoudelijke brandstof te produceren hebben tot nu toe weinig opgeleverd. De druk van de honderdduizenden gezinnen in Goma op de markt van houtskool blijft dus bijzonder groot. Verder worden de waardevolle landbouwgronden in het parkgebied zelf geregeld ingenomen, wederrechtelijk, onder meer bij gebrek aan vruchtbare landbouwgronden buiten het park. De jacht op de babygorilla’s en olifanten lijkt de afgelopen jaren enigszins onder controle, maar blijft een bedreiging die telkens weer de kop kan opsteken.
Bij elk bezoek de jaren erna moest de prins-beheerder toegeven dat de druk op ‘zijn park’ immens groot bleef omdat de mogelijke winsten, vooral op de handel in houtskool, bijzonder hoog liggen. In informele gesprekken, ook met zijn naaste medewerkers, werd dan telkens verwezen naar locale machthebbers, met zekere maar stille steun uit Kinshasa, die absoluut niet bekommerd waren (en zijn) om de ecologische waarde van Virunga maar alleen om de waarde van hun fondsen. Maar omdat Emmanuel de Merode de steun van zijn oversten in Kinshasa broodnodig heeft om zijn werk te kunnen blijven doen, mocht dat niet met zoveel woorden voor de camera gezegd worden.
Van houtskool naar olie
Intussen is er nauwelijks wat veranderd. Behalve dan dat ‘houtskool’ mogelijk verandert in ‘olie’. Hoe verdienstelijk en charismatisch ook, zelfs een Belgische Prins staat machteloos zolang de grotere machten, in dit geval in Kinshasa en Goma, en zelfs rond het Edward-park, het voor het zeggen hebben. Als daarenboven een beursgenoteerd Brits bedrijf er zorg voor draagt om alle formele regels na te leven, dan dreigt de strijd voor een absolute bescherming van het Virunga-park een strijd tegen windmolens te worden.
Want in essentie gaat het ook om een strijd tussen de korte termijnsvisie van een aantal lokale en nationale Congolese potentaten enerzijds, en een lange termijns-visie van een aantal bevlogen Westerse natuuridealisten. Op korte termijn willen de lokale rijken nog rijker worden, op lange termijn willen de behoeders van Virunga een werelderfgoed veilig stellen. SOCO International plc speelt daarbij maar een bijrol. De Britten zullen boren en pompen als zij de kans krijgen en hun imago geen al te grote schade daarbij oploopt. En zij zullen er zich zeker voor hoeden om geen juridische fouten te maken. Zo slim zijn die boorjongens wel.
(Peter Verlinden volgt voor VRT Nieuws zuidelijk en centraal Afrika.)
