Veel meer dan thuis kijk ik hier reikhalzend uit naar het weekend. Niet omdat ik dan rust heb. Ook dan gaat het nieuws natuurlijk genadeloos door, de weekendkranten zijn vuistdik en op tv zijn er maar liefst zes actualiteiten-programma’s die ik hoor te volgen. Maar als het verder rustig is, kan ik eindelijk doen waar ik in de week niet aan toe kom. Een lang bad nemen, schoonmaken en de wekelijkse boodschapjes halen.
Schrikken van de rekening
In Vlaanderen winkel ik vrij gedachteloos bij verschillende supermarkten en enkele vertrouwde winkeliers. Hier werd ik gedwongen om die routine om te gooien. Om te beginnen kan ik in het centrum van Den Haag eigenlijk alleen maar naar de Albert Heijn. Het is mij een raadsel hoe die supermarktketen bijna overal in Nederland een monopolie wist te verkrijgen en ik voel mij er als consument niet prettig bij. Ik wil kunnen kiezen. Als ik in een andere Nederlandse stad een Jumbo of zo zie, loop ik er voor m’n eigen gemoedsrust altijd even snel naar binnen. Voor de groenen en de rijken zijn er wel alternatieven: je hebt grote natuurwinkels en er is ook Marqt. Die laatste verkoopt alleen “eerlijk voedsel” en ik schrik me bij de kassa eerlijk gezegd telkens kapot als ik hoor wat ik daarvoor moet betalen. Je kan er dan ook alleen met een creditcard afrekenen, dat hebben ze goed gezien. Bij de AH schrik ik als Belg trouwens ook altijd, maar dan vreemd genoeg van de lage rekening.
Aan die supermarkten valt dus weinig plezier te beleven, het echte avontuur zit ‘m in de ouderwetse Nederlandse winkelstraatjes. In veel woonwijken heb je hier nog straten met alleen maar winkeliers: een slager, een visboer, een groenteman, een drogist, een krantenverkoper, zelfs een slijter en natuurlijk een kaasboer. Alsof je 200 jaar terug gekatapulteerd wordt in de tijd. Blijkbaar kunnen die middenstanders nog altijd overleven, al hebben velen het zichtbaar lastig.
Plofkip en sponsbrood
Ik heb in Den Haag de keuze uit verschillende van die buurtjes. Er zijn er een paar exclusieve, voor de grote groep snobs. Er zijn hier ontzettend veel expats en veel van die wederhelften hebben een fulltime baan aan het bijeenzoeken van mooie en dure spullen. Eén keer dacht een slager dat ik ook zo’n vrouw was. Afgaand op m’n buitenlandse tongval wou hij mij absurd duur vlees aansmeren. Een hamburger van Japanse runderen die tijdens hun luilekkerleventje massages kregen, sake dronken en naar klassieke muziek luisterden of zoiets. Als dochter van een veehandelaar kon ik daar alleen maar smakelijk om lachen.
Mijn favoriete buurt is eigenlijk de meest armoedige. Daar heb je een piepklein AH-tje, een schattig bakkerijtje en een eenvoudige slager. Bij die slager stond ik ooit eens achter een bejaarde man die er bijna een half uur over deed om 1 gehaktbal te bestellen. En de slager liet die man alle tijd, dat vond ik best ontroerend. Alleen laat de kwaliteit van de producten in het straatje voor Vlamingen vaak te wensen over. Wat bij ons gewoon is, noemen ze hier een delicatesse. Bij aanvaardbaar stokbrood doen ze al snel alsof dat diezelfde ochtend vanuit Parijs werd ingevlogen. Maar omdat ik niet kan leven op plofkip en sponsbrood sta ik dus regelmatig in de rij tussen grijze mannen met roze broeken en vrouwen met zonnebril in het haar.
Maar zelfs dan is het genieten: van de bekakte conversaties over het tweede huis in Frankrijk, van de vindingrijkheid van de Nederlandse middenstanders en van de lekkere dingetjes die we er met ons kennersoog toch tussenuit weten te plukken.
Sabine Vandeputte is VRT-correspondente in Nederland.