Terugkeer van Atlantis, einde van shuttle-tijdperk
Het idee om een herbruikbaar "ruimtevliegtuig" met raketmotor te bouwen stamt al uit 1954 en was dus ouder dan het Apollo-maanproject. Toch zette de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA pas in de jaren 60 het licht op groen.
Anders dan de kleine ruimtecabines van Mercury, Gemini en Apollo moest de veel grotere shuttle herbruikbaar zijn. Het tuig werd gelanceerd als een raket, maar keerde als een zweefvliegtuig terug naar de aarde.
Het concept was eenvoudig, maar de uitwerking liep veel vertraging op en kostte flink wat meer dan begroot. Om de terugkeer in de dampkring mogelijk te maken, moest het ruimteveer volledig omgeven worden door tegels van een nieuw ontwikkeld soort schuim dat tegelijk licht was en grote hitte kon weerstaan.
De motoren waren de krachtigste sinds de Saturnus V-raket van de maanvluchten en werden bij de lancering aangedreven vanuit een grote tank met cryogene, gekoelde vloeibare brandstof, ondersteund door twee "boosters", zijraketten met vaste brandstoffen. Die boosters en brandstoftanks werden kort na de lancering losgegooid.
Columbia leads the way
Na enkele proefvluchten met het testmodel Enterprise in de jaren 70, werd op 12 april 1981 de eerste echte shuttle, de Columbia, gelanceerd. De tweedaagse vlucht van John Young en Robert Crippen verliep feilloos en na een interval van zes jaar waren de Amerikanen opnieuw in de ruimte aanwezig.
Het fantastische aan de shuttle was dat hij tal van taken kon uitvoeren. Zo kon hij in de grote vrachtruimte satellieten mee de ruimte innemen, ze daar herstellen of eventueel terugbrengen naar de aarde. Dat bleek handig toen de peperdure ruimtetelescoop Hubble in 1990 niet goed bleek te werken en een herstelvlucht nodig was om dat tuig scherp te stellen.
De shuttle-bemanning kon even goed zelf experimenten in de ruimte uitvoeren, onder meer in het Europese Spacelab in de cargoruimte. Toch werd de shuttle nadien vooral gebruikt om astronauten en voorraden te vervoeren naar ruimtestations, eerst het Russische Mir, daarna het internationale ruimtestation ISS, dat grotendeels via shuttle-vluchten werd uitgebreid.
Een vloot ruimteveren
Al snel kreeg de eerste shuttle Columbia het gezelschap van Challenger (1983), Discovery (1984), Atlantis (1985) en Endeavour (1992). Ruimtevluchten leken een routine te worden, tot de Challenger in januari 1986 (foto) kort na de lancering ontplofte en de zeven astronauten omkwamen.
De ramp hield de vloot twee jaar aan de grond, tot er verbeteringen waren aangebracht. Toch deed zich in 2003 een nieuwe catastrofe voor toen Columbia ontplofte bij de terugkeer in de dampkring en opnieuw zeven astronauten het leven verloren. Toen bleek dat het hitteschild beschadigd was tijdens de lancering. Sindsdien moet er tijdens een vlucht altijd een veer in reserve klaar staan om eventueel astronauten uit de ruimte terug te halen.
Dat de veren nu op stal moeten, heeft vele oorzaken. Zo zijn de tuigen intussen erg verouderd en vreest de NASA voor nog meer rampen. Anderzijds passen de huidige shuttles niet langer in het huidige concept voor ruimtevaart. Als vrachtschip kunnen ze vervangen worden door gewone draagraketten en voor het vervoer van astronauten alleen zouden ze te groot zijn.
De NASA zou het vervoer van astronauten naar het ISS nu willen uitbesteden aan de privésector. Voor missies verder in de ruimte, zoals de maan en Mars, zijn de shuttles dan weer niet geschikt en moeten nieuwe tuigen ontwikkeld worden.
Enkele shuttle-weetjes
Het minder bekende neefje van de shuttles is de Russische tegenhanger Buran (sneeuwstorm). Die zag er ongeveer hetzelfde uit en maakte in 1988 een korte onbemande vlucht. Buran beleefde een tragisch einde toen in 2002 het dak van zijn hangar in Kazachstan instortte en daarbij acht arbeiders om het leven kwamen.
De vijf Amerikaanse ruimteveren hebben samen 135 vluchten gemaakt, goed voor 1.319 dagen en 12 uur in de ruimte. De shuttles koppelden 9 keer aan het Mir en 33 keer aan het ISS. De drie overblijvende shuttles worden verkocht aan Amerikaanse musea.
Eén Belg heeft ooit in een shuttle gevlogen: Dirk Frimout deed dat in 1992 in de Atlantis. Frank De Winne vloog twee keer met een Russische Sojoez naar het ISS. Een andere bekende inzittende was de pop Buzz Lightyear uit de film "Toy Story", die in 2008 met de shuttle Discovery naar het ISS vloog.
Jos De Greef