Een gat in de Muur aan de Potzdammerplatz
Aan de westelijke kant viel er nog niet veel te beleven. Maar àchter de Muur, in het niemandsland, was het een drukte van jewelste. Er verscheen een kraan. We hoorden een bulldozer. Er werd met pneumatische hamers op de fundamenten van de Muur ingehakt. Er klonken bevelen. In het Duits klinken die altijd rauwer, dat zal wel nooit meer veranderen. Het was 9 uur geworden. Ook aan westelijke kant had zich een menigte verzameld. Geen duizenden mensen, honderden. En cameraploegen, tientallen cameraploegen die alles filmden wat bewoog, die als kippen zonder kop achter iedereen aanliepen.
Ik herinner mij het precieze uur niet meer, maar het moet rond 10 uur geweest zijn, toen aan oostelijke kant de kraan in actie kwam en een grote brok gewapend beton uit de Muur tilde. Een gat. Er was een gat gemaakt. Er steeg gejuich op. Aan beide kanten.
Er werd nog een plaat uit de betonnen voegen gelicht. En toen zagen we, wat we alleen nog maar gehoord hadden: achter een lint, een hekken én een dubbele rij Volkspolizisten met geweer stonden duizenden Oost-Duitsers te wachten om die vermaledijde grens over te steken.
Er werd een tafeltje aangesleept, nee, 2 tafeltjes, waarachter geüniformeerde bureaucraten plaats namen met hun stempeldoos. Alles moest “ordentlich” verlopen. Maar alles liep, vanuit bureaucratisch oogpunt althans, algauw helemaal fout. Nadat de passen van de eerste tien Ossies nog tergend traag waren doorbladerd en gecontroleerd, werd het gedrang te groot. Overdonderd door de overmacht zetten de beambten haast blindelings rode stempels in de passen die voor hun neus gelegd werden.
Toen de eerste Oost-Berlijners, wenend van geluk, onder applaus hun eerste stappen naar het westen zetten en in de armen van onbekende West-Berlijners vielen, konden de cameraploegen niet meer in toom worden gehouden. Ze lapten de grens en haar formaliteiten aan hun laarzen en zwermden de kaalgeslagen no go zone binnen.
Ik was Jo Vermaercke en Hans Debaere - mijn cameramakkers - al snel kwijt. Ik zag nog net hoe ze achter een eenheid Vopo’s aanliepen, die ergens achter een stel trucks hun provocerende geweren op nette stapels gingen leggen, in militaire pas. Dàt was voor mij het breekpunt, the point of no return, het neerleggen van de wapens.
Petite histoire: "ik was emotioneel"
De instroom van Oost-Duitsers - alleen voetgangers - hield niet op. Ik raapte een brok steen op, een souvenir van dat eerste gat in de Muur. Een echt stuk van de Muur, geen met verf bespoten brok puin uit een of andere bouwwerf in het westen (waarin later een levendige handel zou ontstaan: 10 DM voor een steentje in een doosje).
Ik zag hoe journalisten uit de hele wereld het niet beu werden om altijd maar dezelfde vraag te stellen aan al die warm maar sjofel geklede Ossies: of ze gelukkig waren. Natuurlijk waren ze gelukkig. Welk antwoord hadden ze anders verwacht? Ik deed precies hetzelfde, toen ik mijn cameraploeg terug had gevonden. "Die Mauer muss weg!", zong een man uit volle borst in het gezicht van een Vopo-officier, die zichtbaar moeite had om aan de nieuwe toestand te wennen.
Toen het allemaal wat kalmer werd ging ik op een betonnen stootblok zitten en schreef ik de tekst van mijn reportage. We klommen op een mobiele WC-wagen (waarop eigenlijk al geen plaats meer was) en daar, met het gat in de Muur en de continue stroom van mensen op de achtergrond, vertelde ik wat ik gezien had.
Ik was emotioneel, ik viel uit mijn rol als neutraal waarnemer, want ik was getuige geweest van iets wat altijd in de geschiedenisboeken zal blijven staan. En op het eind van mijn statement haalde ik het stuk steen uit de Muur van de Potzdammerplatz te voorschijn en ik toonde de steen aan de kijkers van VTM.
Die 12 november was het overigens de eerste keer dat wij in Berlijn, via RTL Duitsland, een reportage naar Vilvoorde konden doorstralen. Maar dat laatste is petite histoire.